De voorzitter van Nederland; Wim Kok is steeds meer politicus zonder partij geworden

Als lijsttrekker bezorgde Wim Kok de PvdA bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1994 de grootste nederlaag uit de geschiedenis. Toch is hij premier geworden en wijst hij Nederland de weg naar de volgende eeuw. Aan het einde van het parlementaire jaar een balans: gerespecteerd in het land, geaccepteerd in zijn partij. Wim Kok, van functionaris tot staatsman.

Minister-president Kok, premier Kok, kabinet-Kok. Hoewel nog niet eens twee jaar een feit, klinkt het al heel erg vertrouwd allemaal. Het tijdperk Lubbers lijkt reeds een eeuwigheid geleden. Vrijwel rimpelloos heeft Kok tot nu toe het land kunnen besturen. Met de wind in de rug van de gunstige economische groei en het ongeremde verlangen van de coalitie te bewijzen dat ook zonder het CDA geregeerd kan worden, voert het kabinet zonder al te veel problemen het regeerakkoord uit. Dat het kabinet de zittingstermijn zal vol maken en Kok er dus nog twee jaar aan kan toevoegen, staat voor velen vast. Zelfs een tweede kabinet onder zijn leiding is volgens de bookmakers een speculatie waaraan weinig valt te verdienen - te voorspelbaar. Zet Wim Kok in een functie en hij beoefent deze met succes en vol overgave conform de geldende normen. Uiterste job-identificatie wordt het wel genoemd. Alleen het leiderschap van de PvdA gaat hem niet soepel af. Maar dat is dan ook geen officiële functie.

Met een flinke dosis intellectuele en gevoelsmatige twijfel begon hij aan het paarse avontuur. Van die twijfel is nu weinig meer over. Vriend en vijand valt het op: Kok heeft de smaak te pakken en krijgt al enigzins presidentiële trekken. De fase van primus inter pares is hij voorbij. Het Torentje zet tegenwoordig de toon. Strijd tegen de XTC? Het twee weken geleden gelanceerde initiatief voor een harde aanpak kwam rechtstreeks van Kok.

Nachtvluchten op vliegveld Beek? Kok rekt persoonlijk het begrip nacht op. Een tunnel onder het Groene Hart ten behoeve van de Hoge Snelheidslijn? Kok tekende voor de regie.

Ruim een jaar duurde de gewenningsfase. Toen het kabinet het vorig jaar vrij eenvoudig eens werd over de begroting voor 1996, wist hij definitief dat het goed zat. Sindsdien durft Kok op zijn collega's in het kabinet vooruit te lopen. Niet te veel, en zeker niet met spectaculaire plannen. Maar toch. Heel voorzichtig probeert hij de toon te zetten. Het regeerakkoord, de bijbel van bestuurlijk handelen, hoeft niet telkens meer te worden opgeslagen. Langzaam maar zeker verkent hij vanuit zijn werkkamer op Het Torentje nieuwe grenzen.

De dagelijkse praktijk is thans zijn belangrijkste politieke beginsel. “We dienen ons met nog meer kracht en overtuiging te storten op de inhoud van de problemen waarmee mensen in onze samenleving worden geconfronteerd”, sprak Kok eind vorig jaar in zijn befaamde Den Uyl-lezing. De oude ideologie was volgens hem niet meer in staat afdoende antwoord te geven op sleutelvragen van deze tijd. Integendeel. Het afschudden van de ideologische veren kon in bepaalde opzichten dan ook als als een “bevrijdende ervaring” worden beschouwd. Het applaus voor zijn rede kwam - zoals zo vaak bij steunbetuigingen aan het adres van Kok - vooral van buiten zijn PvdA. Hij was weer een beetje meer politicus zonder partij geworden.

Schoolklas

De stemming in de Tuinzaal van het Catshuis was op donderdagavond 9 mei van dit jaar duidelijk anders dan anders. Het wekelijkse bewindspersonenoverleg van de Partij van de Arbeid kende nog een toegift. Als een schoolklas zaten de ministers, staatssecretarissen en fractietop gegroepeerd om het diascherm.

Onderzoeker Hans Anker presenteerde de laatste resultaten van zijn permanente politieke marktonderzoek. Talloze 'sheets' werden vertoond. De boodschap kon echter in een zin worden samengevat: met Wim Kok gaat het uitstekend, met de PvdA aanzienlijk minder.

De hoofdpersoon zelf hoorde en zag het allemaal onbewogen aan; plaatste hier en daar een kanttekening en wenste voor het overige de uitkomsten vooral te relativeren. Kortom, de reactie die alleen de beste van de klas zich kan permitteren. De andere aanwezigen wisten ondertussen wel beter. In marketing-termen gesproken heeft de PvdA met Kok goud in handen. Of het nu gaat om deskundigheid, integriteit, of geloofwaardigheid - op alle punten scoort Kok hoog dan wel zeer hoog bij het Nederlandse publiek. Na amper twee jaar is hij al net zo populair als Ruud Lubbers in zijn gloriedagen. Het ultieme fatsoen als minister-president. Wat kan een partij nog meer wensen?

Het is dus toch nog goed gekomen met Wim Kok. Gelachen werd er in Den Haag, toen de veel geplaagde partijleider van de PvdA, annex minister van Financiën,annex vice-premier in februari 1993 via de KRO-televisie liet weten dat hij opnieuw beschikbaar was voor het lijsttrekkerschap van zijn partij.

Niet dat dit op zichzelf zo'n hilarische mededeling was. De pret ontstond door de toevoeging van Kok dat hij 'voor goud' ging en dus premier wilde worden. Op dat moment streed de PvdA in de peilingen samen met D66 om de derde en vierde plaats. Onder die omstandigheden preluderen op het premierschap, was een onmiskenbaar geval van overmoed, oordeelden de Binnenhof-kenners.

Het gelijk van Kok volgde bij de verkiezingen ruim een jaar later. Goud met een wrange bijsmaak was het geworden. De PvdA had zwaar verloren, maar aangezien het CDA nog veel meer kiezers verspeelde, kon de PvdA zich toch de grootste partij noemen. Op de kamer van directeur Cox Habbema in de Amsterdamse Schouwburg drong de paradoxale uitslag de avond van de derde mei langzaam bij Kok door. De PvdA was door het oog van de naald gekropen. Tot zeer ver in de middag had het CDA nog op kop gelegen, vertelden de exit-polls. Het was de laatste groep stemmers geweest die toch nog verandering in het beeld bracht. “Kom op minister-president, we gaan naar Paradiso”, zei de nummer twee van de PvdA-lijst, Jacques Wallage, toen de voorlopige uitslagen een steeds definitiever karakter kregen. Op weg naar de Amsterdamse muziektempel waar partijvoorzitter Felix Rottenberg de landelijke PvdA- verkiezingsavond had belegd, bedacht Kok de zin die hij later nog vaak zou herhalen: zelden is het verschil tussen nooduitgang en erepodium zo klein geweest.

Drie Kamerzetels, om precies te zijn. Als het toen net even anders was gegaan was Kok nu ongetwijfeld ex-politicus. Het is de tragiek van Kok: altijd balanceren. In de tien jaar die hij inmiddels als PvdA-partijleider in de actieve politiek zit, heeft hij wel respect gewonnen, maar nog geen enkele verkiezing. Een uitstekende minister, riepen de bankiers in koor toen Kok in het vorige kabinet op Financiën bezuiniging na bezuiniging doorvoerde. “Mooi,nu de kiezers nog”, reageerde Kok op de hem welbekende ironisch-sarcastische wijze.

Die lieten hem en de PvdA in 1994 echter wederom in de steek. Twaalf zetels verlies was het trieste resultaat van na lange tijd weer regeringsverantwoordelijkheid dragen. Nooit eerder had de PvdA zo'n grote afstraffing te verduren gekregen. Het viel echter allemaal weg tegen het nog grotere drama dat tegelijkertijd bij het CDA had plaatsgevonden. De nederlaag kreeg zodoende toch nog iets van een overwinning. Maar een echte triomf zou het pas zijn als de PvdA de kabinetsformatie wist te winnen. Dat gebeurde ruim drie maanden later, toen PvdA, VVD en D66 hun regeerakkoord sloten en paars was geboren.

Vaderschapsgevoel

Terwijl een enkele romantische politicus al weer de verbeelding aan de macht zag komen, benadrukte Kok toch liever het gewone karakter van het kabinet tussen socialisten en liberalen. De vrucht van een zakelijk akkoord van het kaliber dat hij gewend was in de vakbeweging met de werkgevers af te sluiten.

Voor hem zelf was de overgang na ruim vier jaar met het CDA te hebben geregeerd misschien wel het grootst. In de nieuwe combinatie was hij toch een beetje de trainer van Feijenoord die opeens bij Ajax was ingehuurd. Maar zeker toen het kabinet rondom de koningin op de trappen van paleis Huis ten Bosch stond voor de traditionele eerste groepsfoto, kreeg het vaderschapsgevoel bij Kok de overhand. De eerste indruk is vaak doorslaggevend. Al direct bij de eerste bijeenkomst van de nieuwe ministers snoof Kok een gevoel van spontane collegialiteit op. De voor Nederland unieke samenstelling van het kabinet bleek voor de net benoemde ministers wel degelijk een extra motivatie om het anders te gaan doen.

Kennis is macht. Kok had de kennis en daarmee dus de macht toen hij op 22 augustus 1994 met zijn ploeg van start ging. Een minister-president die het grootste deel van het regeerakkoord als informateur zelf heeft kunnen schrijven, is in de Nederlandse na-oorlogse parlementaire geschiedenis nog niet eerder vertoond. De voorsprong die hij hierdoor op zijn dertien collega's in het kabinet van het begin af aan had, heeft Kok sindsdien altijd weten vast te houden.

De moeizame combinatie-functie van vice-premier en minister van Financiën die hij in het vorige kabinet bekleedde, bleek voor zijn minister-presidentschap een uitstekende opmaat. Het politiek opereren in een coalitie-kabinet leerde hij als vice-premier. Kennis van alle relevante posten op de rijksbegroting deed hij op als minister van Financiën. En aangezien politiek in Nederland toch meestal een kwestie van geld is, betekent dit dat Kok met zijn eigen ervaring als een spin in het web zit. Als geen ander kent hij de gevoeligheden en boekhoudkundige trucs van de diverse departementale begrotingen. Het zit allemaal opgeslagen in het feilloze geheugen dat van Kok een bijna ziekelijk nauwkeurig iemand heeft gemaakt. “Daar hebben we honderd miljoen gulden voor weggezet”, merkt één van de ministers tijdens een kabinetsvergadering op. “Zevenentachtig miljoen”, verbetert Kok.

Alweer een echte dossiervreter aan de macht. In dat opzicht verschilt de huidige minister-president niets van zijn voorganger Lubbers. Die kon tijdens zijn wekelijkse persconferentie na afloop van de ministerraad moeiteloos overschakelen van een betoog over de inkomensvoorziening voor oudere en arbeidsongeschikte werknemers naar een verhandeling over de technische aspecten van het kraslot. Maar ook Kok lukt het zonder met zijn ogen te knipperen over te stappen van de verworvenheden van het nationale omroepbestel naar het exportverbod voor rundersperma. Alleen is de stijl van de leider veranderd. Waar Lubbers als minister-president steevast de neiging had met zijn collega's te gaan 'meedenken' - een eufemisme voor de zaak overnemen - kiest Kok voor terughoudendheid. De activistische premier heeft plaatsgemaakt voor een bestuurlijke. Kok grijpt pas in als het echt nodig is. Ministers moeten proberen hun problemen eerst zelf op te lossen. Als ze een zaak aan hem voorleggen, verwacht hij wel dat er ook een 'oplossingsrichting' bij wordt geleverd. Juist omdat Kok in tegenstelling tot Lubbers afstand tot de onderwerpen houdt, heeft hij in de ministerraad de autoriteit op een gegeven moment een knoop door te hakken.

Het grote verschil met de wekelijkse sessies zoals die bijna twaalf jaar onder leiding van Lubbers plaatsvonden, is dat de ministers meer met elkaar praten.

Het beruchte non-interventie beginsel is minder dominant. En ook is de ministerraad niet langer louter de formele zegening van wat in bilateraal overleg tussen de direct betrokken ministers en de premier reeds eerder was overeengekomen. Er is ruimte voor discussie. Dat is een van de redenen waarom iemand als minister Jan Pronk van ontwikkelingssamenwerking weer met plezier naar de vergaderingen van de ministerraad gaat.

Torentjes-overleg

De uitkomst van het beraad tussen de ministers is in elk geval niet meer bij voorbaat de grootste gemeenschappelijke deler van de ambtelijke adviezen. Toch waakt Kok ervoor dat de 'herwonnen vrijheid' tot al te vrijblijvende discussies leidt. Hij blijft iemand die risico's tot het uiterste mijdt. De meeste onderwerpen die op vrijdag aan de orde komen, zijn al eerder in een 'onderraad' onder leiding van Kok tussen de meest betrokken ministers besproken. De politiek gevoelige onderwerpen zijn bovendien al in het wekelijkse Torentjes-overleg met de fractievoorzitters en beide vice-premiers op woensdag behandeld. De richting van de uitkomst is dan ook meestal wel bekend. Discussie, improvisatie en creativiteit ter plaatse in de plenaire ministerraad vindt Kok best, maar het mag geen vrijbrief voor chaos worden.

Hij wil niet voor complete verrassingen komen te staan. De hoofdlijnen van het beleid zijn voor Kok onaantastbaar. Delegeren best, maar de uitkomsten moeten wel voor hem draagbaar zijn, geeft hij zijn collega's regelmatig te verstaan.

Zo is er een vergadercultuur van vrijheid in gebondenheid ontstaan. Los van de personen draagt ook de constellatie van het kabinet hieraan bij. In de vorige coalitie hielden CDA en PvdA met elk zeven ministers elkaar precies in evenwicht. Het leidde mede tot de krampachtigheid die zo kenmerkend was voor het laatste kabinet-Lubbers. In het kabinet-Kok kan geen van de partijen zich beroepen op een automatische meerderheid. Dat schept een klimaat van overtuigen en overtuigd willen worden.

Over de honderd keer zijn ze inmiddels met z'n allen bijeen geweest. Met frisse hoofden ontmoeten ze elkaar elke vrijdag in de Trêveszaal van het ministerie van Algemene Zaken aan het Binnenhof. Een deel van de mannelijke bewindslieden heeft dan de wekelijkse ministeriële trimsessie in het Promenade-hotel achter de rug. Hetzelfde geldt voor de vrouwen. Die doen hun vrijdagse rek -en strekoefeningen vanaf half acht 'smorgens in één van de ministeries. Zo symboliseert het kabinet-Kok ook hier de tijdgeest. Het kabinet-Den Uyl kende in de jaren zeventig zijn 'doorzakclub', het kabinet-Kok heeft zijn fitnessclub.

De karnemelk vloeit tijdens de broodjeslunch nog rijkelijker dan ten tijde van de kabinetten-Lubbers die op dit terrein toch een zekere reputatie hadden opgebouwd. Toch wilde daar nog wel eens een rond het middaguur een glaasje korenwijn geschonken worden, maar onder Kok zijn de alcoholische versnaperingen tijdens de lunch helemaal van de dienbladen verdwenen.

Het zijn collega's die op vrijdag met elkaar vergaderen, geen vrienden. De onderlinge sfeer in de ministerraad is - ondanks de verhalen dat er zoveel gelachen wordt - toch overwegend afstandelijk-zakelijk. Het elkaar tutoyeren wordt tot de lunch beperkt. Zeker Kok bewaart angstvallig de nodige afstand tot al zijn collega's. Als er al iets van een as bestaat, is dat die tussen Kok en minister van Sociale Zaken Ad Melkert. Het is het zeer goed ontwikkelde politieke instinct van Melkert dat Kok zo nu en dan van pas komt. Daarnaast heeft hij zijn persoonlijke voorkeuren. Behalve over Melkert is Kok zeer te spreken over de ministers Wijers van Economische Zaken en Zalm van Financiën.

Opvallend goed is ook zijn relatie met VVD-minister Annemarie Jorritsma van Verkeer en Waterstaat. Veel minder geduld heeft hij met zijn partijgenoot Margreet de Boer van Milieu. Als zij in de ministerraad aan het woord is gaat Kok al gauw achterover zitten en met zijn vingers op de rand van de tafel trommelen. Voor de overige aanwezigen is dit het signaal dat Kok zich begint te ergeren. Ambivalent staat hij tegenover minister Sorgdrager van Justitie. Ten dele heeft dat ook met haar portefeuille te maken. Kok kan er moeilijk tegen dat van sommige problemen wordt gezegd dat ze onoplosbaar zijn.

Sorgdrager redeneert wel langs die lijn en vindt het bijvoorbeeld al heel wat als het veiligheidsprobleem of het drugsprobleem beheersbaar blijft. Zuchtend hoort hij haar juridische redeneringen aan. Maar eigenlijk beschouwt Kok een dergelijke houding als een nederlaag. Zeker op het terrein van justitie geldt voor Kok bij uitstek het adagium dat hij ook al als voorzitter van de FNV hanteerde: soms moet je dingen aanvaarden zonder ze te accepteren.

Dat geldt in sterke mate voor het liberale drugsbeleid. Hij heeft zich er mee verzoend en verdedigt het loyaal. Maar innerlijke overtuiging is er niet bij, tenzij hij erover door de Franse president Chirac wordt gekapitteld. Dan wordt het nationale gevoel in hem wakker en staat Kok pal voor Nederland.

Zijn relatie met vice-premier, minister van Buitenlandse Zaken en D66-leider Van Mierlo is in het kabinet gaandeweg verbeterd. De kabinetsformatie van 1989 waarin de PvdA officieuze bondgenoot D66 liet vallen, zorgde voor een kille verstandhouding tussen Kok en Van Mierlo. Tijdens de afgelopen formatie kon Kok maar niet wennen aan de uitgebreide exposés van Van Mierlo. Inmiddels heeft hij er mee leren leven, dat zijn vice-premier niet zo snel to the point komt. Zeker ook door de vele gezamenlijke bezoeken aan het buitenland is het begrip gegroeid.

Lollig

Minister Dijkstal, de vice-premier van VVD-zijde heeft hij gewoon nodig. Hij is het erkende contrapunt. Dijkstal en Kok zijn qua karakter totaal andere personen. Maar de wijze waarop Dijkstal in de ministerraad gevoelige zaken weet te verwoorden en daardoor politiek glad te strijken, zijn voor Kok van onschatbare waarde. Daarbij komt dat Dijkstal in de ministerraad niet het alleenrecht bezit op lollig zijn. Als het moet kan Kok ook gevat uit de hoek komen met een woordspeling of een understatement. Zijn gevoel voor humor vormt een schril contrast met de hem veel toegedichte narrigheid. De humeurigheid van Kok is in vergelijking met het vorige kabinet zeker afgenomen. Maar soms kan hij nog ongemeen fel uit de hoek komen, zoals minister Pronk van ontwikkelingssamenwerking ondervond toen hij zich roerde in het debat over de politionele acties van Nederland in Indonesië. “Jij hebt noch het verleden, noch het geweten in je portefeuille”, beet hij Pronk toe tijdens het wekelijkse overleg van PvdA-bewindslieden op het Catshuis.

Het voorval staat opgetekend in de biografie van Pronk die onlangs is verschenen. In de uitval ontlaadde zich een spanning die al veel langer was opgebouwd. Pronk is als het 'linkse' geweten van de PvdA een moeilijk te hanteren factor voor Kok. Het daverende applaus dat Pronk op PvdA-bijeenkomsten altijd weer weet te ontlokken, kan ook worden opgevat als applaus tegen de 'realistische' koers die de PvdA onder Kok steeds meer is gaan varen. De confrontatie met het verleden, zijn eigen verleden ook, brengt Kok telkens weer in een ongemakkelijke positie. Veel van Koks partijgenoten zijn nog niet vergeten hoe hij als voorzitter van de FNV fulmineerde tegen de 'afbraakpolitiek' van het eerste kabinet-Lubbers.

Voor zichzelf heeft Kok zijn verleden gerationaliseerd. Er is gewoonweg een verschil in verantwoordelijkheid tussen de vakbondsvertegenwoordiger en de politicus. De eerste is er voor het korte termijn-belang, terwijl van een politicus die regeringsverantwoordelijkheid draagt een meer vooruitziende blik wordt verlangd. Kok beschouwt zijn bekering als een groeiproces. Naarmate hij ouder werd, nam de aandacht voor het brede belang vanzelf toe. Vandaar ook dat hij zo fel wordt als hij op zijn verleden wordt aangesproken. Kok vindt niet dat hij dat heeft verloochend, hij heeft slechts oog gekregen voor de mankementen van het systeem. De partijgenoot die hem tijdens een PvdA-bijeenkomst in Leiden asociaal handelen verwijt, krijgt een tirade als antwoord. “Er wordt wel heel snel gezegd dat er kaalslag heeft plaatsgevonden en dat alles wordt afgebroken. Maar kijk nu eens even om u heen. Is het dan zo dat Nederland er vergeleken bij de rest van Europa in sociaal opzicht er zo mager en bekaaid afkomt? Er is geen sprake van kaalslag, er is gerenoveerd.

Daarbij zullen zeker fouten zijn gemaakt, maar wat we gedaan hebben kan waarlijk de toets der kritiek doorstaan. Dat mag wel eens hardop gezegd worden. Al is het maar door mezelf.''

Er is haast geen PvdA-bijeenkomst waar Kok optreedt of er doet zich niet zo'n voorval voor. Altijd ook weet Kok met zijn reactie die het midden houdt tussen boosheid en verontwaardiging de zaal achter zich te scharen. Wat dat betreft weet hij zijn emotie zeer instrumenteel te gebruiken. Maar de verstandhouding met zijn partij blijft daardoor iets halfslachtigs houden.

De actieve partijgenoten in het land zouden zo graag eens willen weten in welk kader het geploeter in de ministerraad plaatsvindt. Maar voor de vision thing zijn ze bij Kok aan het verkeerde adres. Een fatsoenlijke samenleving, daar gaat het hem om. Waarbij hij bewust nalaat die samenleving al te concreet te definieren. En dat is nu juist wat de achterban wel wil.

Het gevolg is dat Kok zijn eigen PvdA veelal meer als een probleem beschouwt dan als bondgenoot. Hij kan maar moeilijk wennen aan het gegeven dat het PvdA-kader a priori kritischer is dan het ledenbestand van de partij en dat de leden op hun beurt weer kritischer zijn dan het electoraat. Het is een punt waar hij verder niet al te lang bij stil staat. Kok is nu eenmaal geen partijtijger die het debat in zijn 'club' opzoekt. En waarom zou hij ook? Want van één ding is Kok rotsvast overtuigd. Het is onder de huidige omstandigheden nog altijd zo dat de partij hem harder nodig heeft dan hij de partij.