Computer en Sterke Arm

JAN RADEMAKER: De digitale strafrechtspleging. Strafrechtelijke informatisering in meervoudig perspectief

294 blz., W.E.J. Tjeenk Willink 1996, ƒ75,-

W.PH. STOL: Politieoptreden en informatietechnologie

229 blz., Vermande 1996, ƒ39,50

Net zo goed als handboei of dienstpistool maakt de politie-informatie deel uit van de dwangmiddelen die de Sterke Arm ten dienste staan. Twintig jaar geleden werd in het tijdschrift voor strafrecht Delikt en Delinkwent reeds gewaagd van “het informatiewapen van de politie”. Nu is er ook echt een 'datapistool' op de markt, ontwikkeld in opdracht van het korps Haaglanden.Het viel onlangs een van de IT Awards ten deel, die jaarlijks worden toegekend onder auspiciën van het vakblad Computable. Met behulp van dit 'draadloos datacommunicatiehulpmiddel' kan de politie op straat rechtstreeks in het kentekenregister kijken en natrekken of een bepaald adres als verdacht te boek staat.

Hoe staat het echter met de schietvaardigheid van het nieuwe wapen?

In het proefschrift Politieoptreden en informatietechnologie, waarop hij vorige week promoveerde aan de VU, plaatst politieonderzoeker W.Ph. Stol enkele relativerende kanttekeningen bij mobiele terminals. Hij volgde deze bij de politie Wageningen en het Amsterdamse wijkteam De Pijp. De politieregistratie wordt daar vaker dan voorheen geraadpleegd, met name bij incidenten met een sociale achtergrond. De bevraging leidt echter niet tot betere of snellere oplossingen. Dat komt volgens Stol doordat dit type probleem vaak een emotionele component heeft. De politieregisters, informatie over het verleden, leveren slechts een bescheiden handvat voor de aanpak daarvan.

De voorshands beperkte mogelijkheden van het informatiewapen hebben ook hun goede kanten. Gevaar voor een Big Brother in 't blauw is er voorlopig niet, concludeert Stol. De politiemensen kijken trouwens zelf wel uit, want de moderne informatiesystemen vormen natuurlijk ook een mooi middel voor de leiding om de minderen te controleren. Helemaal onschuldig is de nieuwe technologie echter nu ook weer niet. Kort na Stols promotie werd bekend dat de Amsterdamse justitie en politie bezig zijn met het opzetten van een volautomatisch systeem voor permanent videotoezicht op de ringweg rond de hoofdstad, compleet met automatisch thuisgestuurde schikking voor de betrapte verkeersovertreder. Er komt geen politieman meer aan te pas.

Op zichzelf valt staande te houden dat zo'n systeem eerder een kwestie is van noodzakelijk tegenwicht op maatschappelijke ontwikkelingen (in casu verkeerspiraterij) dan dat het past in het stramien van een Orwelliaans overwicht van de politie. Burgers maken volgens Stol verschil tussen 'politietoezicht' en 'politiebemoeienis'. Het laatste kan als beklemmend worden ervaren, het eerste niet.

Mensen willen vaak méér surveillance. Geautomatiseerde vergelijking van registers (zoals in het geval van APK, verzekering of motorrijtuigenbelasting) past volgens de auteur binnen deze conventies. Toch is het de vraag of het publiek er werkelijk van gediend is dat de overheid precies weet wanneer men op de weg is, ook al belooft zij de opnamen van de oppassende weggebruiker direct te vernietigen. Zo'n alziend oog staat trouwens ook haaks op het officiële streven om de anonimiteit van de weggebruikers te bewaren bij de komende elektronische systemen voor rekeningrijden.

Illusie

Ook bij de Amsterdamse methode is één ding zeker: “opsporing door middel van één druk op de knop is een illusie”. Zo drukt Jan Rademakers het uit in zijn eerder dit jaar verschenen proefschrift over de toepassing van moderne informatietechnologie binnen de strafrechtspleging. Hij wijst er op dat er geen recherchemethode is of er kan op worden geanticipeerd. Dactyloscopie leidt tot gebruik door handschoenen door inbrekers of vervalsing van vingerafdrukken, snelheidsmeting leidt tot radarverklikkers. En zelfs DNA-onderzoek kan, hoe wrang het ook klinkt, leiden tot verhoogd gebruik van preservatieven door zedendelinquenten.

Rademaker geeft in zijn studie een intrigerend overzicht van de jonge doch veelbewogen geschiedenis van de automatisering bij politie en justitie. Intrigerend voor wie houdt van bureaupolitieke strijd, want die vormt de rode draad. Een van de betere citaten in dit verband, ontleend aan een overheidsautomatiseringsoverleg, is: ”We gaan steeds beter langs elkaar heenwerken!“ Ook deze auteur wuift de gevaren van de automatisering voor de burgerlijke vrijheden wel een beetje weg. “Onvoldoende empirisch fundament”, luidt zijn strenge oordeel. Is dat echter niet juist typerend voor gevaren, als onderscheiden van schade die zich daadwerkelijk heeft voltrokken?

Uit het boek van Rademaker blijkt dat er wel degelijk iets aan de hand is.

“Informatisering heeft de technocratische droom van rationele beheersing gevitalisieerd”, concludeert hij.

Zelf vaart Rademakers een middenkoers. Hij ergert zich aan de “rooskleurige beloften” van sommige systeembouwers. Anderzijds vindt hij dat de bestaande mogelijkheden “nog volstrekt onvoldoende zijn benut”.

Zo vindt hij dat politiecomputers best mogen koppelen met andere systemen als dat nuttig is voor de rechtshandhaving. Overgezet op de Amsterdamse ringweg betekent dit dat het systeem niet alleen snelheidsduivels mag betrappen, maar ook weggebruikers die de motorrijtuigenbelasting niet hebben betaald. Maar waarom dan ook niet alimentatie- of bijstandsverhaal langs de snelweg?

De hamvraag is: kunnen computers recht spreken? Rademaker ziet geen enkel bezwaar in de geautomatiseerde afhandeling van standaardgevallen zoals verkeersovertredingen.

Groen licht voor het Amsterdamse ringwegsysteem dus. Dat betrapt echter niet alleen snelheidsovertredingen maar ook agressief rijgedrag. Dat zou nog wel eens een weerbarstig begrip kunnen zijn voor een gecomputeriseerd handhavingsschema. Ook al gaat het slechts om overtredingen.

Voor de echte misdrijven verdraagt een strikt technische aanpak zich volgens de auteur in elk geval slecht met de uitgangspunten van het Nederlandse strafrechtssysteem. Naast confectie blijft maatwerk nodig.

“De strafrechter heeft te veel van zijn werkterrein verloren”, concludeert Rademaker. Hij waarschuwt dat ook op automatiseringsgebied de rechterlijke onafhankelijkheid dient te worden bewaakt. Beheersing van de rechtspraak door het ministerie van justitie via moderne informatiesystemen is daarmee niet verenigbaar. “Rechterlijke informatisering mag geen Paard van Troje worden.”

Toch blijft het de vraag waarom dat dan niet geldt voor de Amsterdamse ringweg.