Joden 200 jaar gelijkgesteld

Tentoonstelling: De Gelykstaat der Joden. Inburgering van een minderheid. 1796-1919. T/m 24 nov. in Joods Historisch Museum

De debatten duurden een groot deel van de zomer van 1796. De afgevaardigden in de Nationale Vergadering, die op 1 maart van dat jaar was ingesteld, bestookten elkaar met argumenten pro en contra de gelijkberechtiging van de joden in de Republiek. Tegenstanders uitten de vrees voor concurrentie wanneer joden gelijke rechten zouden krijgen en dus alle ambachten zouden mogen beoefenen. Sommige afgevaardigden hadden theologische bezwaren. Maar voor de aanvang van de debatten stond de uitkomst eigenlijk al vast: in de Bataafse Republiek golden de Rechten van de Mens en de Burger als leidend politiek beginsel. “Het niet verlenen van de burgerrechten zou betekenen dat men de joden niet als mensen beschouwde, en zover wilde geen enkele afgevaardigde gaan”, schrijft R.G. Fuks-Mansfeld in 'Geschiedenis van de Joden in Nederland.' Op 2 september 1796 aanvaardde de Nationale Vergadering unaniem het 'Decreet over den Gelykstaat der Joodsche met alle andere Burgers'. Tien dagen later stuurde een aantal Haagse joden, onder wie Mozes Cohen Belinfante, een dankbetuiging aan de Nationale Vergadering.

Het origineel van deze brief is te zien op de tentoonstelling 'De Gelykstaat der Joden' die het Joods Historisch Museum (JHM) in Amsterdam heeft georganiseerd. Op 2 september is het tweehonderd jaar geleden dat het politieke en sociaal-economische isolement waarin de joden tot dan hadden verkeerd, werd doorbroken. Voor het merendeel van de, vooral arme, joden veranderde er echter weinig. Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw onstond een joodse middenklasse. De emancipatie van het joodse proletariaat kreeg een impuls met de opkomst van het socialisme en de arbeidersbeweging.

Het accent van de tentoonstelling ligt vooral op de aanzetten tot de gelijkberechtiging, de gevolgen daarvan voor het joodse onderwijs, de opkomst van de arbeidersbeweging en de strijd voor het algemeen mannen-en vrouwenkiesrecht. Pas toen dat laatste een feit was, was de politieke emancipatie voltooid.

Zowel in joodse als in niet-joodse kring werd al ruim voor september 1796 nagedacht over de plaats van de joden binnen de Nederlandse samenleving. Het was de joodse patrottenclub Felix Libertate (Gelukkig door Vrijheid) die de Nationale Vergadering bestookte met verzoekschriften voor de verkrijging van gelijke rechten. Op de tentoonstelling zijn originele pamfletten van Felix Libertate te zien. In één wordt de vraag behandeld of het voor joden, toen zij eenmaal gelijke rechten hadden gekregen, was toegestaan hun militaire dienst op sabbat te vervullen. “Dat is geoorloofd en geboden”, aldus de opsteller van dit pamflet H.L. Bromet. In orthodoxe kring werd daar anders over gedacht. Om de inburgering te versnellen werd bij decreet van 1809 bepaald dat in de synagogen het Nederlands moest worden ingevoerd. Er verschenen Nederlandse vertalingen van liturgische en andere Hebreeuwse boeken die ook zijn tentoongesteld. Onderwijs in het Jiddisj, zoals te doen gebruikelijk op joodse scholen, werd niet langer toegestaan. Gelukkig is een Hebreeuws leesplankje bewaard gebleven dat naast het bekende 'Aap, noot, Mies' plankje op een schooltafel ligt.

Verspreid over de tentoonstellingsruimte hangen prachtige portretten van toenmalige vooraanstaande joden. Van Benjamin Cohen (1726-1800), een van de eerste Hoogduitse joden die in hofkringen verkeerde. Van Jonas Daniël Meijer (1780-1834), lid van Felix Libertate en adviseur van Lodewijk Napoleon en Koning Willem 1 inzake de positie van de joden. En van Abraham Carel Wertheim (1832-1897) die zich als succesvol bankier ontpopte, zitting had in de Eerste en Tweede Kamer en voorzitter werd van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen die lang joden als leden geweigerd had. Eén vitrine is ingericht met voorwerpen van de Algemene Nederlandse Diamantwerkers Bond (ANDB) die werd opgericht door Henri Polak.