Het liberalisme als koekoek

In het vooroorlogse Leidse studentencorps plachten de studenten, wanneer bij feestelijke gelegenheden een spreker hen verveelde, het lied aan te heffen: “Ouwehoer is troef vandaag, ouwehoer is troef”, waarop de spreker zijn rede haastig afmaakte. Hoffelijkheid was niet het eerste kenmerk van de Leijenaars.

In feite heeft de partijraad van de VVD zaterdag eenzelfde methode toegepast op de 'denkers' van de partij, die met een preadvies waren gekomen dat eerherstel voor een klassieke, morele opvoeding bepleitte. De raad wilde niets van dit 'moralisme' horen. Aangezien Frits Bolkestein tot die 'denkers' kan worden gerekend, kan deze bejegening als een soort rebellie tegen de politieke leider worden beschouwd.

Enerzijds heeft de gespleten persoonlijkheid die ik ben, wel enige sympathie voor dit gedrag. Er wordt immers wat afgeouwehoerd in dit land! De VVD was zowat de enige partij die daar tot dusver geen behoefte aan had. Dat was op zichzelf een verademing. Maar aan de andere kant werkte dit gebrek aan introspectie ook afstotend. Het aantrekkelijke van Bolkestein was dat hij daar juist wèl toe geneigd was.

Met de rebuffade van de partijraad lijkt de politieke discussie in de VVD over de moraal voorlopig wel gesloten te zijn. Maar dat hoeft niet tevens het einde te betekenen voor het intellectuele discours erover. Wat dat betreft, hoeft niemand een boodschap te hebben aan de gevoelens van de partijraad.

Wanneer we dat discours dan voortzetten, kunnen we niet beter doen dan de rede die Bolkestein voor de partijraad gehouden heeft, als uitgangspunt te nemen. Die rede mag daar dan niet zo goed zijn ontvangen, dat mag voor degenen die niet aan partijpolitiek doen, geen reden zijn het debat te staken.

Het probleem van het liberalisme, zo begon Bolkestein zijn rede, is dat het “slechts lijkt te gedijen in een maatschappelijk klimaat waarin een aantal waarden of, zo men wil, deugden min of meer vanzelfsprekend is”. Bolkestein roept op tot bezinning op “de aard van algemeen aanvaarde beginselen”.

Maar, zo zegt hij, “zonder de hulp van een richtinggevende opvoeding of een algemeen aanvaarde moraal kan dat proces ontaarden in desoriëntatie en nihilisme”. Hij herhaalt zijn uitspraak dat wij behoefte hebben aan een “bezielend verband”.

De moeilijkheid is nu dat “het liberalisme, als politieke theorie met een moreel agnostisch uitgangspunt, niet voorziet in een begrippenkader dat die moraal expliciteren en funderen kan. De liberaal rest hooguit een verwijzing naar de instrumentele waarde van het christendom. En van andere godsdiensten (want de overheid dient immers ten aanzien van de verschillende godsdiensten neutraal te blijven).”

Toen ik deze passage in Bolkesteins rede las - merkwaardigerwijze niet in een liberale krant, maar in het dagblad Trouw, dat een orthodox-protestantse signatuur heeft - schreef ik in de kantlijn: “parasiteren”. Immers, de liberaal ontleent zijn moraal niet aan het liberalisme, maar aan een andere ideologie dan wel godsdienst.

En wat las ik even later in een artikel van Bolkesteins collega-fractievoorzitter E. Heerma (eveneens in Trouw)? “Het (liberalisme) parasiteert op een christelijke en humanistische moraal, die het zelf niet kan bieden.” Kennelijk hoef je geen christen-democraat te zijn om tot dezelfde conclusie te komen. (Overigens is het interessant te noteren dat de calvinist Heerma het liberalisme blijkbaar geen moraal toekent, maar het humanisme wèl.)

In Bolkesteins visie is het christendom (of welke andere godsdienst ook) niet veel meer dan een toeleveringsbedrijf. De socioloog prof. L. Laeyendecker schrijft in de Haagsche Courant van 25 juni dat het Bolkestein “in feite gaat om het nut van het christendom voor iets anders: het christendom als grondslag voor de publieke moraal, als een soort draagvlak voor de geordende samenleving, als tegenwicht tegen criminaliteit en maatschappelijke wanorde”.

Het christendom kan, zegt Laeyendecker, “natuurlijk positieve effecten hebben voor de kwaliteit van de samenleving”, maar zijn kern ligt daar niet in. Die is “de existentiële keuze voor een diepe, hogere, uiteindelijke werkelijkheid”. Het liberalisme als zodanig doet die keuze niet, maar profiteert er, in deze visie, wel van. Een soort koekoeksfunctie dus - een functie die het socialisme, wat de moraal betreft, ook vervult; maar we hebben het hier over het liberalisme.

Dit is één opmerking waartoe Bolkesteins rede aanleiding geeft. Een tweede is deze: op zoek naar bewust (in tegenstelling tot vanzelfsprekend) aanvaarde deugden hecht Bolkestein waarde aan “een richtinggevende opvoeding”. “Waar het op aankomt is de politieke, sociale en culturele omstandigheden zodanig te beïnvloeden dat geëmancipeerde mensen eerder de neiging hebben fatsoenlijke dingen te doen dan onfatsoenlijke.”

Dus een kwestie van opvoeding. Die is in de eerste plaats “een zaak van de ouders”: “Ouders moeten kinderen opvoeden in het besef van de normen die overal ter wereld nodig zijn om een samenleving goed te laten functioneren.”

Maar dat kunnen de ouders niet alleen. “De school moet de opvoedende taak van ouders ondersteunen en dus eveneens de nadruk leggen op de algemeen beschaafde normen” (zoals “de waarheid spreken, respect voor elkaar en elkaars eigendom tonen, verdraagzaamheid en het afwijzen van gewelddadigheid en vandalisme”).

Heel mooi, maar wie schrijft de school dit voor? Dat kan dan, althans wat de openbare school betreft, toch alleen maar de overheid doen? Maar de overheid moet niet moraliseren, zegt Bolkestein. Dat moeten ouders en scholen doen. Moet dan een niet-moraliserende overheid de school voorschrijven te moraliseren? Hier klopt iets niet.