'Minder directe belastingen goed voor de economie'

Staatssecretaris Willem Vermeend van Financiën heeft een ambitieus fiscaal wetgevingsprogramma aan de Tweede Kamer voorgelegd. Halverwege de kabinetsperiode is het tijd voor een tussenbalans. Hoe wordt het fiscale systeem van de volgende eeuw door de PvdA-bewindsman in de steigers gezet? “Minder directe en meer indirecte belastingen hebben een gunstig effect op de economie en de werkgelegenheid.”

Ik houd niet van grote visies”, zei Willem Vermeend vier jaar geleden. De toenmalige fiscaal woordvoerder van de PvdA-fractie besprak de aanbevelingen van commissies-Oort en Stevens die wel een brede visie op het belastingstelsel hadden, maar uiteindelijk tot weinig resultaat leidden. De komst van Vermeend op het ministerie van Financiën, twee jaar geleden, leidde tot een nieuwe fase van fiscale wetgeving. Na de externe commissies, waaraan de namen van bankier Oort en fiscalist en CDA-senator Stevens waren verbonden, en na de fase waarin Tweede-Kamerleden het voortouw namen, was de tijd aangebroken voor werkgroepen die geen diepgravende studies maken, maar met kant-en-klare voorstellen komen. “Rapporten zeggen me niets”, zei staatssecretaris Vermeend bij zijn aantreden. “Ik wil concrete voorstellen die leiden tot vereenvoudiging en knelpunten oplossen.”

De 47-jarige Vermeend heeft de afgelopen twee jaar als een soort 'ridder van de schatkist' geopereerd: belastingconstructies waardoor de staat inkomsten derfde, werden bestreden. Op tal van gebieden is hij bezig mazen in de belastingwetgeving te dichten en belastingontwijking te beperken. Vermeend wil de rente-aftrek op excessief consumptief krediet beperken. De dividendheffing voor ondernemers die eigenaar zijn van hun bedrijf, wordt gestroomlijnd. De belastingfaciliteiten voor het midden- en kleinbedrijf ('mijn troetelkind') zijn op 1 januari uitgebreid. 's Lands concurrentiepositie wordt versterkt door verruiming van de financierings- en fiscale faciliteiten van internationaal operende bedrijven. Vrijdag bespreekt de ministerraad een voorstel voor vereenvoudiging van de loon- en inkomstenbelasting.

In hoog tempo - de roep om een wetgevingsmoratorium zwelt aan - is Vermeend bezig de fiscale wetgeving en regels te herzien. De meeste door hem ingestelde werkgroepen hebben gerapporteerd en zo was de staatssecretaris in staat om een ambitieus wetgevingsprogramma aan de Tweede Kamer te presenteren. Vermeend: “Dat was hard nodig omdat Nederland de voorsprong op fiscaal terrein heeft verspeeld in de jaren tachtig en begin jaren negentig.” Die kritiek is gericht aan zijn voorganger, de CDA'er Marius van Amelsvoort. Vermeend haalt de schouders op. “Als Kamerlid heb ik mijn bedenkingen bij het gevoerde fiscaal beleid niet onder stoelen of banken gestopt.”

Van Amelsvoort is waarschijnlijk de laatste 'klassieke' staatssecretaris van Financiën geweest. Hij behoorde tot de fiscale puristen, die menen dat belastingen alleen worden gebruikt om inkomsten te genereren voor de overheid, en niet om werkgelegenheid te stimuleren of een schoner milieu te bevorderen.

Vermeends werkkamer op het departement toont de sporen van een staatssecretaris van sport, niet die van Financiën. Geen kasten gevuld met fiscale handboeken, zoals bij Van Amelsvoort, maar sporttijdschriften. Op een stoel ligt een fietshelm: de 23 kilometer tussen de woonplaats Leiden en het departement wordt regelmatig ('altijd, behalve wanneer het regent') op de race-fiets afgelegd. En in een fotolijstje poseren in sporttenue Vermeend en zijn collega's Wim Kok, Jan Pronk, Aad Nuis, Michiel Patijn, Jacob Kohnstamm - voor de wekelijkse vergadering in de Trêveszaal trekken deze bewindslieden een uurtje aan de halters.

Met de voortschrijdende integratie in de Europese Unie is het fiscale beleid één van de weinige instrumenten die de Nederlandse overheid nog kan benutten om de internationale concurrentie te pareren. Vermeend: “In het buitenland worden belastingen steeds meer ingezet bij het economisch beleid, die ontwikkeling kun je niet negeren.”

De fiscale beleidsvrijheid wordt binnen de Europese Unie aan één kant beperkt door de harmonisatie van de omzetbelasting (BTW) en accijnzen. Aan de andere kant neemt de concurrentiestrijd toe op het terrein van de directe belastingen, de loon- en inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting. “Landen koesteren hun fiscale soevereiniteit op het terrein van de directe belastingen”, zegt Vermeend. “Nederland is altijd een voorstander geweest van fiscale harmonisatie, maar ik signaleer dat er geen voortgang wordt geboekt. Bij de vennootschapsbelasting stokt de harmonisatie. Landen gebruiken de winstbelasting om te concurreren. Ik verwacht dat de fiscale concurrentie verder zal toenemen. Ik pleit voor harmonisatie binnen de Europese Unie, want deze concurrentie kost de lidstaten op termijn handenvol met geld. Maar als de harmonisatie stokt, kun je niet met je armen over elkaar gaan zitten. Dat zou ten koste gaan van de economie en de werkgelegenheid in ons land.”

Behalve het buitenland beïnvloeden onder meer budgettaire behoeften, koopkrachtplaatjes en pressiegroepen het belastingbeleid. Over de toekomst van het stelsel wordt weinig nagedacht. De sfeer van het fin de siècle, zeker de overgang naar een nieuw millennium, zet zelfs fiscalisten aan tot bezinning en visioenen. “In de Verenigde Staten en in Duitsland worden verhitte debatten gevoerd over de toekomst van het belastingsysteem. In Nederland discussiëren we over een belastingvoordeel zo groot als een muizenkeutel”, constateerde voormalig staatssecretaris van Financiën Ferdinand Grapperhaus een paar maanden geleden in een vraaggesprek met deze krant. “Vriend Vermeend moet eens ophouden met het onbeperkt uitoefenen van zijn hobby's.” Vermeend is niet onder de indruk van de kritiek. “Via het fiscale beleid bevorderen we de ontwikkeling van de economie en de werkgelegenheid. En dat zie ik niet als hobby.”

U bent halverwege deze kabinetsperiode, u bent ambitieus en u zult ongetwijfeld niet alleen als 'belastingridder' in de fiscale annalen willen terechtkomen. Valt binnenkort de benoeming te verwachten van een werkgroep van fiscaal deskundigen die gaat adviseren over het belastingstelsel in de volgende eeuw?

“Dat lijkt me niet nodig. Alle commissies hebben in hun rapporten al hun visie gegeven. Bovendien staat het voor mij vast dat zo'n stelsel, gezien de belangen van economie en werkgelegenheid, sterk internationaal wordt bepaald. Ik ben daar al mee aan de slag.”

Onlangs presenteerde u een wetsvoorstel waarbij dividend tegen 25 procent wordt belast voor ondernemers die voor ten minste vijf procent eigenaar zijn van hun bedrijf. De eerste fase van een nieuw belastingstelsel, het zogeheten analytisch systeem, waarbij kapitaal en arbeid apart wordt belast?

“In het huidige systeem, waarbij loon, rente en dividend worden opgeteld en vervolgens belast - het zogeheten synthetisch stelsel -, wordt een analytisch element ingebouwd.

“Dat is een doelbewuste keuze die vooralsnog beperkt is tot aandelenpakketten. Ik verwacht naar aanleiding van dit wetsvoorstel een discussie. Ik vind dat we moeten aansluiten bij de Europese ontwikkeling. Een aantal landen heeft elementen van het analytische systeem. Daarmee kun je voordelen boeken, want het is een eenvoudig systeem en minder gevoelig voor belastingconstructies.”

Uw politieke inzet is een meer analytisch systeem?

“Ja, we worden daartoe mede gedwongen door de ontwikkelingen in het buitenland. Het wetsvoorstel is een eerste stap. Maar voor de korte termijn moeten we eerst de problemen ten aanzien van de heffingsgrondslag van de directe belastingen oplossen. Door een toenemende internationalisering en internationale fiscale constructies staat de heffingsgrondslag onder druk. Zo rekende president Wim Duisenberg van De Nederlandsche Bank een paar jaar geleden voor dat 30 miljard gulden in het buitenland was ondergebracht. Dat illustreert de kwetsbaarheid van het stelsel waar het gaat om inkomsten uit vermogen.”

Om deze kwetsbaarheid te verminderen hebben Denemarken, Finland, Noorwegen en Zweden in de periode 1991-1994 een beperkt analytisch belastingsysteem ingevoerd om de belastingvlucht tegen te gaan en de lastendruk op arbeid te verlagen.

“De ervaringen van de Scandinavische landen zijn inspirerend. Maar om de lastendruk op arbeid te verlagen zijn er ook andere mogelijkheden. Het beleid om bijvoorbeeld de inkomsten uit vermogen onder een analytisch systeem onder te brengen spreekt mij aan.”

De Nederlandse belastingvlucht zou afnemen wanneer de vermogensbelasting wordt afgeschaft.

“Op dit moment staat de vermogensbelasting niet ter discussie. We hebben geen budgettaire mogelijkheden. (De vermogensbelasting levert ruim 1,5 miljard gulden per jaar op, red.) Maar Europees gezien is onze vermogensbelasting een vreemde eend in de bijt. We hebben een aantal knelpunten weggewerkt, met name voor ondernemers. Op de lange termijn moet je aansluiten bij andere belastingstelsels en die kennen geen vermogensbelasting.”

Welke mogelijkheden zijn er om de lastendruk op arbeid te verlagen?

“Ten eerste doorgaan met het huidige beleid en zoveel mogelijk banen creëren, want iedere werkloze die een baan vindt leidt tot lagere sociale premies. Ten tweede een stroomlijning van de loon- en inkomstenbelasting, waardoor een verbreding van de grondslag mogelijk is. Ten derde voorzie ik op termijn een budgettair neutrale uitruil tussen directe en indirecte belastingen. Minder directe belastingen zoals inkomsten- en vennootschapsbelasting, en meer indirecte belastingen zoals BTW en accijnzen. Consumptie wordt zwaarder belast ten gunste van lagere fiscale lasten op arbeid. Deze verschuiving kan, zo blijkt uit modelberekeningen, een gunstig effect op de economie en werkgelegenheid hebben.”

Kunt u dat kwantificeren?

“Stel, de indirecte belastingen worden verhoogd met vijf miljard gulden en dat geld wordt gebruikt voor een verlaging van het tarief van de eerste schijf, de verhoging van het arbeidskostenforfait, verlenging van de eerste belastingschijf, of een combinatie van deze mogelijkheden - dit zou, in het gunstigste geval, tot 40.000 extra banen kunnen leiden.

“De uitruil tussen directe en indirecte belastingen is ook al in discussie in Europa. Onlangs is de zogeheten Monti-groep opgericht, genoemd naar de voorzitter EU-commissaris van belastingzaken Mario Monti, die de mogelijkheden gaat onderzoeken. In de strijd tegen de werkloosheid wil de Europese Unie arbeid minder zwaar belasten.”

Meer indirecte en minder directe belastingen heeft uw partijgenoot en leermeester Hofstra steeds resoluut van de hand gewezen omdat het gunstig zou uitwerken voor de hogere inkomens.

“Dat hangt af van de manier waarop je de verschuiving vorm geeft en het geld terugsluist naar de burger. Door een combinatie van fiscale maatregelen is, naast het bevorderen van werkgelegenheid, een evenwichtig inkomensbeeld mogelijk. Een zwaarder accent op indirecte belastingen kan ook gunstig uitwerken voor het milieu. Milieu-vervuilende activiteiten zouden fiscaal ontmoedigd kunnen worden.”

De verdere ecologisering van het belastingstelsel zoals bepleit door onder meer de Groningse econoom Jan Pen? Gevraagd naar de 'oplossing' van het milieuprobleem propageert Pen een groen fiscaal stelsel. De 'firma Zalm & Vermeend' heeft de sleutel in handen.

“Ik ben een voorstander van ecologisering van het belastingstelsel en constateer dat Nederland in Europa voorop loopt. Maar ik vrees dat ik niet volledig aan Pens verwachtingen kan voldoen. De nationale fiscale mogelijkheden moeten niet worden overschat. De ervaring met de eco-tax heeft ons geleerd dat het problematisch is om via het fiscale stelsel de lage inkomens adequaat te compenseren voor een dergelijke heffing. Daarnaast lopen we op tegen een andere grens, onze internationale concurrentiepositie. Daarom moet bij een eventuele verhoging voor de Europese aanpak worden gekozen.”

Fiscaal hoogleraar en belastingspecialist van Shell, Han Kogels, voorziet een afname van belastingen geheven naar draagkracht en een toename van de rol van belastingen geheven naar vraagkracht. Is de volgende stap het schrappen van de progressie in de belastingen en één tarief?

“In de loon- en inkomstenbelasting hebben we een eerste belastingschijf tegen 37,5 procent, een tweede schijf tegen 50 procent en een derde schijf tegen 60 procent. Het gevolg van deze tariefstructuur is dat de belasting in beginsel stijgt naarmate het inkomen hoger is. Hou je rekening met de sociale premies, fiscale aftrekposten, en bijzondere regelingen dan hebben we nu al een vrij vlakke structuur.”

Dan is het toch een kleine stap naar één tarief, zoals onder meer bepleit door Grapperhaus. Hij pleit voor één belastingtarief; de Nederlandse equivalent van de flat tax. In de Verenigde Staten voerde Republikeinse presidentskandidaat Steve Forbes campagne voor één tarief in de inkomstenbelasting van 17 procent.

“Er is geen enkel land in Europa waar de discussie over één tarief speelt. Zelfs in de Verenigde Staten is die discussie al weer over. Als staatssecretaris kan ik niks met de ideeën van Grapperhaus. Het is een niet-serieuze gedachte, de rekensommen ontbreken. Bovendien, wat zijn de gevolgen voor de economie, werkgelegenheid, fiscale concurrentiepositie en inkomensverdeling. Met andere woorden: wie zal het betalen?

“Ik heb wel eens wat globale berekeningen gemaakt achter de pc en dan kom ik uit op een Nederlandse flat tax van 33 procent. Omdat alle aftrekposten en bijzondere regelingen sneuvelen werkt zo'n tarief zeer ongunstig uit voor de ouderen en de lagere en sommige middeninkomens; vooral de topinkomens profiteren.

“In Nederland hechten we aan gelijkmatige inkomensverhoudingen en die realiseer je niet met één tarief. Het strookt ook niet met het begrip draagkracht. Op zich een moeilijk te hanteren begrip, maar het zal wel altijd een onderdeel blijven in ons fiscaal systeem. Zeker met sociaal-democraten in de regering.”

En ook de hypotheekrente-aftrek zal altijd een onderdeel blijven van het fiscaal systeem?

“In deze regeerperiode wordt niet getornd aan de aftrek van de hypotheekrente.”

En in het tweede kabinet-Kok?

“Wat mij betreft dan ook niet aan de orde. Het is een regeling die belangrijk is en blijft voor het eigen woningbezit. En ik zie ook in andere landen geen terugtrekkende fiscale beweging ten aanzien van het eigen huis.”