Jan Soldaat

AAD JONGBLOED: Voor Koning(in) en Vaderland. Dienstplicht door de eeuwen heen

159 blz., geïll., Alpha 1996, ƒ29,50

Formeel is het niet de dienstplicht die in 1993 is afgeschaft, maar de opkomstplicht, schrijven minister van defensie Voorhoeve en staatssecretaris Gmelich Meijling in het voorwoord van Voor Koning(in) en Vaderland. Jongens zullen niet meer voor hun eerste oefening in dienst worden opgeroepen, maar in geval van nood blijft het mogelijk een beroep op hen te doen. De publieke opinie zal er niettemin van blijven uitgaan dat de dienstplicht is afgeschaft. Eind 1996 zullen de laatste dienstplichtigen afzwaaien. Nederland krijgt dus een beroepsleger. Bij zo'n keerpunt hoort een geschiedwerk. De journalist Aad Jongbloed heeft uit het weinige dat over de dienstplicht is geschreven de dienstplichthistorie gedestilleerd, van het einde van de Franse overheersing (1813) tot heden.

Jongbloed heeft niet gekozen voor een strikt thematische of chronologische opzet. Dat hoeft op zichzelf geen bezwaar te zijn, maar hij springt wel erg gemakkelijk tussen de twee benaderingswijzen heen en weer. In de chronologische gedeelten is hij er niet steeds in geslaagd coherentie tussen de feiten aan te brengen, wat soms leidt tot opsommingen en merkwaardige overgangen. Het beste is de auteur op dreef als hij zich verplaatst in het soldatenleven van alledag. We vergeven hem dan graag dat hij het militaire verzoekformulier een RVA -tje noemt in plaats van een VRA-tje (Verzoek, Rapport, Aanvraag bezoek arts), en lezen geboeid over de oefeningen, het prestige van de 'ouwe hap', de inspecties, de opwindende plaatjes op de soldatenkamers (alleen op te hangen aan de zogeheten 'pornolat'), de militaire tehuizen (katholiek, protestants, humanistisch), het soldatenjargon ('balen', 'een douw krijgen') en de soldatenliedjes. Die beschrijvingen geven een uitstekend beeld van het soldatenleven.

Napoleon gaf er de aanzet toe, maar het was koning Willem I die in 1813 de dienstplicht invoerde. Met vallen en opstaan kwam een doelmatig systeem tot stand, waarin jongens werden gekeurd, opgeroepen en in werkelijke dienst kwamen. Daar werden ze gevoed, gehuisvest en gekleed, leerden ze discipline, en werden hun de militaire beginselen bijgebracht.

Wie de metamorfose van een lichting dienstplichtigen heeft meegemaakt, komt onder de indruk van het apparaat dat die verandering zo snel en soepel bewerkstelligt. Viel er aanvankelijk nog veel aan te merken op de omstandigheden waaronder dienstplichtigen hun werk moesten verrichten, onder invloed van de revolutionaire jaren zestig werden die snel beter. Het waren veelal enkelingen, geruggesteund door de soldatenvakbond VVDM, die daartoe de aanzet gaven. Huub Oosterbeek liet zich in 1968 in uniform wegsturen bij een nachtclub; kort daarna werd het dragen van burgerkleding na diensttijd toegestaan. Henk van der Horst weigerde in 1969 principieel meerderen te groeten; datzelfde jaar werd de groetplicht afgeschaft. Evenals de lijst verboden literatuur. In 1971 werd de haardracht vrij en weer vormde de actie van een enkeling de aanleiding: Rinus Wehrmann gaf te kennen graag bij de commando's te willen dienen, maar hij weigerde naar de kapper te gaan. In de loop der jaren zijn er allerlei trucs bedacht om afgekeurd te worden of uit het leger te geraken. Tot 1974, toen minister van defensie Vredeling homoseksualiteit niet langer een reden voor afkeuring vond, behoorde het voorwenden van een homoseksuele geaardheid tot die trucs.

Andere waren: het veinzen van kleurenblindheid of doofheid. Wie zijn oksels had ingewreven met gepelde ui, wist dat hij zou zweten als een otter, maar ook dat er weinig kans was dat de lucht de keuringsarts zou ontgaan.

Met de opkomstplicht verdwijnt ook de keuring. Daarover is nog steeds geen beslissing genomen.

Mocht de keuring inderdaad worden afgeschaft, dan is Jongbloeds waarschuwing terecht. Dan zou het algemene inzicht in de gezondheidstoestand van de Nederlandse jongens door de jaren heen verdwijnen, wat een niet te onderschatten verlies zou betekenen.