Twee gebitten op het nachtkastje; Het mededogen van schrijver Marnix Gijsen

De Vlaamse schrijver Marnix Gijsen werkte als diplomaat een aantal jaren in New York. In die stad situeerde hij vier romans, zijn beste, vindt Arnon Grunberg. “Ik ken nauwelijks schrijvers die zo weinig moeite lijken te doen voor hun lezers als Gijsen. Hij heeft iets nukkigs. Zo van, om de drie bladzijden maak ik een flauwe grap en als u dat niet bevalt houdt u maar op met lezen.”

'Schep geen goden naar uw evenbeeld!', is een van de ongekamde gedachten van de Pool Jerzy Lec. Volgens mij is dit een verstandig advies. Er zijn genoeg voorbeelden bekend van mensen die dit advies niet hebben opgevolgd en met wie het verkeerd is afgelopen.

Dat neemt niet weg dat er veel mensen op deze wereld zijn die willen scheppen. De scheppingsdrift van mensen is ongeëvenaard en lijkt alleen maar groter te worden. Onderzoek heeft uitgewezen dat alleen al in New York bijna vijftig procent van de mensen zichzelf kunstenaar noemt. Zij willen boeken scheppen, schilderijen, toneelstukken, films, een hele nieuwe dichtkunst, maar alsjeblieft geen suf kantoorbaantje van negen tot vijf.

Zij willen scheppen wat door de mens maar op deze wereld geschapen kan worden, waarschijnlijk inclusief kinderen. Dat in een beetje middelgrote fabriek toch zeker tweehonderd krentenbollen per uur geschapen kunnen worden vinden zij niet scheppend genoeg. Dat bijvoorbeeld schrijven veel meer lijkt op een kantoorbaantje van negen tot vijf zijn ze in hun wilde dagdromen even vergeten.

Een belangrijk verschil tussen pakweg God en een schrijver is dat God met helemaal niets moest beginnen en een schrijver alleen maar hoeft te kiezen uit alles wat er al is. Ik zelf ben wel Gods eigen boekhouder, maar een boekhouder een schepper noemen is toch iets te veel eer.

Boeken zijn bedoeld om gelezen te worden door mensen. Dit lijkt een open deur, maar het is belangrijk dit nog even vast te stellen, want er verschijnen genoeg boeken die de indruk wekken geschreven te zijn voor wilde duiven, oesters en andere schelpdieren.

Je mag daarom verwachten dat in een boek mensen voorkomen. En geen geschminkte apen van wie we moeten geloven dat het mensen zijn. Of wat plechtiger uitgedrukt: dat schrijvers zich bezighouden met de afbeelding van de mens. Wat toch iets anders is dan de schepping van een mens. Dat kunnen we beter overlaten aan God en zwangere vrouwen. Natuurlijk kan je ook over dieren schrijven, maar zodra een dier gaat praten of denken wordt het toch een half mens. Of erger, een metafoor voor een mens.

Ik weet dat sommige schrijvers en dichters beweren: 'het gaat mij alleen om de taal'. Dat doet me denken aan een filmmaker die beweert: 'het gaat me alleen om het celluloid'.

Op een gegeven moment hebben schrijvers (en andere mensen die zich kunstenaar noemen) het idee gekregen dat het afbeelden van mensen ouderwets en zinloos zou zijn. Zo is een hele literatuur ontstaan waarin geen mens meer voorkomt. Boekenkasten kunnen worden gevuld met boeken die vol staan met citaten, ideeën, bespiegelingen, woordgrappen, knipogen, veel knipogen, verwijzingen naar andere boeken, naar andere schrijvers, maar mensen zijn er niet meer in te vinden. Mensen hebben nu eenmaal de vervelende eigenschap dat ze ver af staan van alles wat wij voor verheven houden. Ze poepen, huilen, sterven, eten, neuken, baren, kwijlen, worden verliefd, drinken, worden opnieuw verliefd, lijden honger, schieten wat om zich heen en tussendoor kijken ze televisie en lezen de krant.

Ik zou de literatuur waarin geen mensen meer voorkomen mensloze literatuur willen noemen. En als de laatste mens inderdaad vernietigd is, zullen deze boeken ongetwijfeld profetisch worden genoemd.

Wie zich bezighoudt met de afbeelding van mensen zou zijn handen wel eens vies kunnen maken. Veel mensen lijken nu net schrijver te zijn geworden om dat te voorkomen. Anders hadden ze even goed in de krentenbollenfabriek kunnen blijven werken.

Diplomaat

Iemand die zich niet bezighield met de afbeelding van krentenbollen is Marnix Gijsen. Een paar van zijn (beste) romans spelen zich af in New York, omdat hij daar een tijd gewoond en gewerkt heeft. Hij was diplomaat.

In deze romans uit zijn New Yorkse periode (De vleespotten van Egypte, Harmágedon, De kroeg van groot verdriet, Het paard Ugo) houdt Gijsen zich uitsluitend bezig met het portretteren van mensen. In de twee beste boeken (De kroeg van groot verdriet en Het paard Ugo) doet hij dat zelfs zo goed, dat het lijkt alsof je bepaalde personen die hij heeft beschreven persoonlijk gekend hebt.

Er zijn altijd schrijvers geweest die uitblonken in natuurbeschrijvingen. Die moeten vooral blijven bestaan, maar mij interesseren ze niet. Natuurlijk is ook het twintig bladzijden lang beschrijven van een douchegordijn een prestatie die in de buurt komt van kunstschaatsen op Friese doorlopers, maar het moet maar eens gezegd dat mensen interessanter zijn dan een douchegordijn.

Sterker nog, de meeste mensen lezen boeken juist om de mensen die erin voorkomen, niet om de beschrijvingen van douchegordijnen en ook niet om de taal.

Taal is een abstract begrip. Van abstracte begrippen kan je niet houden en ze kunnen ook niet mooi zijn of lelijk. Mensen die beweren van de waarheid en de gehele mensheid te houden moeten gewantrouwd worden.

Dat wat in taal kan worden uitgedrukt, bijvoorbeeld een verhaal of een mop, kan mooi, ontroerend, meeslepend of grappig zijn. Maar taal zelf kan dus nooit het einddoel zijn. Schrijvers die dat beweren, speculeren erop dat veel mensen zo bang zijn voor dom te worden versleten dat ze bereid zijn de grootste onzin te geloven. Ik vind dat schrijvers ervan uit moeten gaan dat hun lezers minstens zo intelligent zijn als zijzelf. Al het andere is beledigend.

De kroeg van groot verdriet (1974) las ik voor het eerst toen ik twaalf was. En het was voor het eerst na Astrid Lindgren dat ik moest lachen om een boek. Een jaar geleden las ik Het paard Ugo (1968), en opnieuw moest ik lachen.

Een scène uit Het paard Ugo zal me waarschijnlijk de rest van mijn leven bijblijven. De verteller beschrijft daarin hoe hij met zijn vrouw aan het vrijen is, maar zich plotseling met beide handen aan het bed moet vastgrijpen omdat hij op het nachtkastje het gebit van zijn vrouw in een glas water heen en weer ziet schudden. Hij wist nog niet dat zijn vrouw een gebit had. Na lezing van dit boek is het me een paar keer gebeurd dat ik tijdens het vrijen aan rammelende gebitten moest denken.

Aan het eind van het boek zal hij trouwens ook zijn eigen gebit verliezen. Zodat er nu op allebei de nachtkastjes een glas water met valse tanden staat, en het lijkt wel alsof deze symmetrie het enige is wat hem nog aan zijn vrouw bindt.

Onhebbelijkheden

Het is merkwaardig dat ik deze twee boeken zo goed vind, want Gijsen heeft veel dingen die mij zouden moeten irriteren. Hij onderbreekt herhaaldelijk zijn verhaal om zijn mening te geven over van alles en nog wat. Hij strooit met Franse spreekwoorden, citeert veelvuldig uit Griekse klassieken en maakt soms heel flauwe grappen. Al deze onhebbelijkheden ben ik bereid hem te vergeven, omdat de rest van zijn verhaal zo interessant is en vooral ook, omdat ze bij hem lijken te horen. Het zijn dan wel onhebbelijkheden, maar ze klinken volstrekt natuurlijk. Ik beschouw het als een verdienste wanneer een schrijver zijn proza natuurlijk laat klinken. Dus niet als een computer die heeft leren praten, noch als een geestesgestoorde die alleen maar wartaal weet uit te slaan.

Soms spreekt iemand je aan, en na drie zinnen weet je al, dit verhaal rammelt. Dat kan je met schrijvers ook hebben. Dat je na drie zinnen denkt, houd maar op, want ik geloof er toch geen woord van.

Het knappe van Gijsen is dat hij (in ieder geval in deze twee boeken) schijnbaar zonder enige moeite volstrekt geloofwaardig overkomt. Zonder je te willen imponeren met ingewikkelde zinnen, zonder metaforen waaruit moet blijken wat voor groot schrijver hij is, zonder dat hij spanning oproept die toch niet wordt waargemaakt. Ik ken weinig schrijvers die zo weinig moeite lijken te doen voor hun lezers als Gijsen. Hij heeft iets nukkigs. Zo van, om de drie bladzijden maak ik een flauwe grap en als u dat niet bevalt houdt u maar op met lezen, want als me iets op de been houdt zijn het nou net die grappen. De kroeg van groot verdriet begint zo: 'Elke avond, rond elf uur, daalde ik de drie etages van mijn flat af en schafte ik me op een straathoek de nachteditie van de New York Times aan.'

Dat vind ik een buitengewoon elegante zin om een boek mee te beginnen. De rest van het boek zal namelijk blijken te gaan over een man die iedere avond een krant koopt en die iedere avond die krant tevergeefs probeert te lezen.

Ook geeft Gijsen in deze zin alle informatie die hij nodig heeft om zijn verhaal te beginnen, zonder het door allerlei kunstgrepen te doen voorkomen dat hij meer te vertellen heeft dan hij heeft. Dat is, kortom, precies wat je van een schrijver mag verwachten. Als je iemand bij je thuis uitnodigt en je hebt alleen maar een kroket in de aanbieding doe je ook niet voorkomen of er straks nog een everzwijn op tafel komt en garnalencocktails en vers fruit. Dat is onbeleefd.

De tweede zin: 'Ik ging die lezen in de 'Pink Poodle Bar', waar aan de tapkast hier en daar het licht toereikend was.' Een betere tweede zin zou ik niet kunnen bedenken. In niet meer dan twee zinnen heeft Gijsen zijn ik-figuur tot leven weten te brengen. Dat is een prestatie, want bij menig boek pak je bij de tweede zin je hoofd vast en vraag je je af, welke idioot heeft dit in godsnaam bedacht.

Let wel, het gaat er niet om dat Gijsen echt daar iedere avond in de Pink Poodle Bar zijn krantje zit te lezen. Het gaat erom dat wij daarin kunnen geloven.

Baarden

Het gaat bij boeken er nooit om of het echt of niet echt gebeurd is, het gaat erom dat de lezer het recht heeft te geloven dat het echt is gebeurd. En wanneer een schrijver zijn lezers het onmogelijk maakt dat te geloven is hij naar mijn mening niets anders dan een vermomde zakkenroller. Lezers hebben recht op deze illusie. Het is helaas waar dat een paar mannen met baarden nog niet zo lang geleden hebben beweerd dat illusies een kapitalistische uitvinding zouden zijn.

De derde en vierde zin: 'De bar is een dertigtal meter lang en er zijn maar vier kleine schijnwerpers aangebracht in het plafond. Wanneer ik merkte dat de strategische plaatsen daaronder ingenomen waren, duwde ik de draaideur verder en ging ik naar huis, alhoewel ik een drankje nodig had om zonder ongemak de vier steile trappen te beklimmen, want de worm zat toen al in het merg van mijn beenderen.'

Iemand die denkt de worm in het merg van zijn beenderen te bestrijden met een drankje zal wel een melancholicus zijn. Maar godzijdank is Gijsen een melancholicus van het sceptische soort en niet van het pathetische soort. Niets is minder effectief dan een schrijver die grote gevoelens op zijn lezer probeert over te brengen met behulp van pathetiek. Het is juist dankzij de wanhopige scepsis van Gijsen dat bepaalde beschrijvingen van gebeurtenissen en personen in dit boek zo grappig zijn.

Een schrijver die denkt dat het om grote gevoelens gaat zal weinig van de mensen begrepen hebben, want het gaat in dit leven juist om die kleine gevoelens. Om de hele kleine gevoelens. Dat is de tweede reden waarom deze boeken van Gijsen zo de moeite waard zijn.

Hij is in staat in een paar regels een persoon tot leven te wekken. Want dat is eigenlijk waar de hele roman De kroeg van groot verdriet uit bestaat. Een reeks van portretten van de bezoekers van de Pink Poodle Bar, en op die manier indirect een portret van de verteller.

Gijsen heeft de mensen bestudeerd en zijn conclusies getrokken, anders zou hij waarschijnlijk ook niet zo sceptisch zijn. Gelukkig houdt hij niet van alle mensen. Hij zou sommigen wel willen doodschieten. Maar de mensen waarover hij schrijft, beschrijft hij uiteindelijk met mededogen. Met medelijden moet je niet over hen schrijven, met mededogen wel. Alleen God mag zonder mededogen over ons schrijven.

Dit is het gebed wat ik zeg voor ik een boek begin te lezen. Ik citeer het, omdat Gijsen een voorbeeld is van een schrijver die het met deze twee romans verhoord heeft.

Lieve schrijver

Geef mij toch niet de tijd na te denken over uw curieuze taalgebruik, uw sterk gekruide metaforen, de bladspiegel en het gebruikte lettertype.

Geef mij toch niet de tijd mij af te vragen welke persoon dit allemaal heeft bedacht en waarom in godsnaam.

Lieve schrijver, sleep mij toch mee in uw verhaal, vanaf de eerste bladzijde tot de laatste.

Laat uw boek toch niet het equivalent zijn van een op te lossen cryptogram. Een boek is geen cryptogram en een cryptogram is geen boek. Beleer mij niet, want ik ben niet meer te beleren.

Dwing mij niet te geloven dat geschminkte apen mensen zijn. Ook ik ben slechts gematigd enthousiast over de mens, maar ik ben niet zo stom dat ik het verschil niet kan zien tussen een geschminkte aap en een mens.

Nietzsche zei dat wij kunst nodig hadden om de werkelijkheid te doorstaan. Maar is het niet zo dat wij uw boeken nodig hebben om de werkelijkheid eindelijk te zien. Die wij niet meer kunnen zien om duizend en een redenen die ik hier niet zal opnoemen.

Lieve schrijver, als u dit gebed verhoord heeft, kunt u mij dan niet ook beloven verre te blijven van literaire manifesten, en dat u ook nooit in een literaire jury zult gaan zitten, noch enige verzamelbundel zult samenstellen, en dat u bijtijds zult stoppen met schrijven?

Zo één keer in de twee jaar herlees ik De kroeg van groot verdriet - uiteraard nooit zonder eerst dit gebed gezegd te hebben - en zoals dat gaat, ik ben zo gewend geraakt aan de niet geringe hoeveelheid onhebbelijkheden van Gijsen, dat ik zelfs die onhebbelijkheden ben gaan waarderen.