Magies Amsterdam

Guus Luijters: De verdwenen stad. Uitg. Veen, 158 blz. Prijs: ƒ 24,90.

Als in het eerste verhaal sprake is van 'het jongetje dat ik was' en datzelfde jongetje in het tweede verhaal bezig is 'zich grondig af te trekken', dan weet je: dit móét een boek van Guus Luijters zijn. Dat voel je in je maag - al na een paar bladzijden lezen ben je een beetje misselijk. Wéér die weeë jeugdverheerlijking, weer dat dwepen met pubererotiek. Luijters' werk is sinds de jaren zeventig niet wezenlijk veranderd. Nog steeds verheerlijkt hij de staat van kinderlijk 'stout zijn'.

Ook De verdwenen stad, Luijters nieuwste boek, is volledig opgetrokken uit nostalgie. Aan de hand van verhalen die samen een fragmentarische, vermoedelijk grotendeels autobiografische roman vormen, probeert Luijters de sfeer van het naoorlogse Amsterdam te reconstrueren, met af en toe uitstapjes naar de jaren zestig. Dat is een lastig genre: het verleden oproepen, schreef Joseph Brodsky, is zoiets als de zin van het bestaan willen vatten. 'Both make one feel like a baby clutching at a basketball: one's palms keep sliding off.'

Luijters wekt niet de indruk veel last te hebben gehad van zulke moeilijkheden. Waarschijnlijk omdat hij geen moment op zoek is geweest naar iets als de essentie van dat verleden. Uit de roman is dat in elk geval niet af te leiden. hij stapelt slechts herinnering op herinnering, blijkbaar in de veronderstelling dat ze vanzelf belangwekkend zijn omdat ze 'oud' zijn. Het is de charme van de rommelmarkt waar Luijters zijn roman op heeft willen bouwen: op het principe dat een oude theemuts mensen meer ontroert dan een nieuwe. En omdat ook Luijters, getuige een motto, Georges Perec heeft ontdekt, laat hij geen oude theemuts ongenoemd.

Dat kan best een charmante roman opleveren, maar het probleem van 'De verdwenen stad' is, dat Luijters alleen overbekende spulletjes in de aanbieding heeft. Het jongetje dat hij was, is een jongetje als duizenden andere jongetjes: een beetje kattekwaad, een beetje verdriet; voelen in het fietsenhok, stiekem lezen in 'verboden boeken', handen onder de lakens. Dat het jongetje de jaren vijftig en zestig 'bewust' heeft meegemaakt, maakt zijn verhaal niet interessanter.

De lezer krijgt niks anders dan de standaard babyboomers-mythe voorgeschoteld: die eeuwige bioscoop van toen, dat eeuwige eerste plaatje van die eeuwige Charlie Parker en later die eeuwige verhalen over 'magies' Amsterdam: 'In tafelkleden gehulde meisjes voerden begeleid door rinkelbom en fluit lome dansen uit, 'chilums' gingen van hand tot hand en als je goed luisterde, hoorde je dat er op minstens drie plaatsen tegelijk The Times They Are A Changing werd gezongen.'

Als àlle babyboom-auteurs zo hun verleden gaan oproepen, kunnen we onze lol nog op.