Wie is er bang voor het studiehuis?

Het studiehuis zou een elite-instituut zijn, het zou wanorde brengen, en de scholieren zelfs de coffeeshop injagen. Initiator Visser 't Hooft weerspreekt de kritiek op de komende onderwijsvernieuwing. Het studiehuis als survival-training.

Niemand op het Roland Holst College in Hilversum had tien jaar geleden kunnen denken dat hun aanpak nog eens model zou staan voor àlle 500 middelbare scholen met een Havo- en/of VWO-afdeling. De school balanceerde met 450 leerlingen op de rand van de afgrond. Hilversumse ouders piekerden er niet over hun kind naar die kritiese school te sturen waar 'Het rode scholierenboekje' leerlingen opriep tot lokaalvredebreuk.

Maar het tij keerde, toen rector C. Visser 't Hooft van 1986 tot 1994 de scepter voerde. Geïnspireerd door haar vorige school, de Werkplaats Kindergemeenschap van Kees Boeke in Bilthoven, stelde ze de leerling in het onderwijs centraal. De monologen van de docent voor het bord maakten plaats voor meer zelfstudie en groepswerk van leerlingen. De scholieren werken actief aan hun schooltaak, de leraar schuift als begeleider de tafels langs. Voor de nijvere brugklassers moest zelfs extra lesmateriaal worden aangesleept.

Het succes smaakte zoet. Het Roland Holst telt inmiddels drie keer zoveel leerlingen. En rector Visser 't Hooft klopte het krijt van haar handen en ontwierp samen met de Stuurgroep Tweede Fase een nieuw schoolconcept op basis van haar Hilversumse ervaring. Vanaf 1 augustus 1998 gaan vierdeklassers Havo en VWO niet meer naar school maar naar het 'studiehuis'. Daar dragen ze 'verantwoordelijkheid voor hun eigen leren'. Dat betekent: met een 'schooltaak' in de hand kennis en vaardigheden ontdekken, desnoods met de helft minder klassikale lessen. Staatssecretaris Netelenbos (Onderwijs) verwacht dat leerlingen met deze 'didactische impuls' beter beslagen ten ijs beginnen aan hogeschool of universiteit. Na twee maanden studeren loopt nu twintig procent van de eerstejaars vast.

Clan Visser 't Hooft (62), founding mother van het studiehuis: “Het is onderwijsvernieuwing om je vingers bij af te likken. In Hilversum waren de leraren de eerste weken doodop van al dat aanschuiven in de klas. Maar een jaar later bood de aanpak hen meer plezier, meer ontspanning en een goed gesprek in de leraarskamer. Ze kenden brugklassers na drie maanden beter dan vroeger na een heel jaar. Want weet je wat er gebeurt? Leerling en leraar zijn niet meer elkaars rivalen, maar elkaars leerpartners.

“De tijd is rijp voor de zelfstandige leerling. Dat vraagt het vervolgonderwijs, dat vragen scholen. Ze lopen tegen problemen aan waar ze geen antwoord meer op weten. Demotivatie. Consumentisme. Dropouts. De tijdgeest. Herinner je je nog de VPRO-documentaire 'Havo-4, een klas apart'? Dat meisje dat paard reed. Ze organiseerde van alles en nog wat in haar vrije tijd, maar op school was het een ramp. Op dat talent moet een school inspelen. Laat leerlingen hun eigen tempo kiezen, geef ze verantwoordelijkheid. Verplicht ze niet aan jouw hand te lopen. Voor je het weet wordt je elkaars tegenpolen: hoe harder een leraar werkt, hoe minder een leerling doet.”

Al van kinds af aan is Visser 't Hooft, zegt ze “in de ban van onderwijs”. Het begon in de oorlog, toen ze in Velp woonde. “Ik was negen, zat in klas vier en vanwege de bombardementen kregen we ons schoolwerk mee naar huis. Met een stuk of acht buurtkinderen maakten we huiswerk in onze garage. Ik speelde er juffie, zoals een ander doktertje speelt. Hielp iedereen en riep de hele tijd 'stil zijn, stil zijn'. Allemaal luisterden ze, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Toen wist ik: in het onderwijs kom ik uit.”

Ze ging Nederlands studeren, koos voor het leraarsvak en deed bij de Werkplaats Kindergemeenschap haar onderwijskundige ideeën op. Over ervaringsleren bijvoorbeeld. Kees Boeke fietste met zijn klas naar de Domtoren. Bovenop de toren doceerde hij over de Utrechtse zandgronden. Visser 't Hooft: “Die dingen beklijven bij een kind. En nog belangrijker: ervaringsleren verandert de schoolsfeer. Het gezamenlijk leren, het vriendschappelijk contact tussen docent en leerling. De leraar op ooghoogte. Nergens heb ik dat zo sterk gevoeld als op de Werkplaats. Dat is precies wat wij met het studiehuis beogen. Een docent is er niet om met het rooie potlood te vertellen wat een leerling allemaal wel niet fout doet. Hij geeft les en helpt.”

Naast enthousiaste reacties klonk dit voorjaar ook felle kritiek op het studiehuis. Het plan zou een holle slogan zijn. Het studiehuis zou wanorde brengen. Het studiehuis zou scholieren de coffeeshop injagen. Het studiehuis zou de talenten van goede leerlingen verspillen. Het studiehuis zou onder docenten een laat-maar-waaien-mentaliteit aanwakkeren, omdat niet langer leraar maar leerling aanspreekbaar is op de leerresultaten.

En erger nog: het studiehuis zou uitpakken als een elite-instituut. Leerlingen uit lagere klassen zouden veel meer moeite hebben met de nieuwe vrijheid dan kinderen uit hogere klassen en sneller afvallen

Wat vind u van die kritiek? Verscherpt het studiehuis de verschillen tussen sociale klassen?

Visser 't Hooft: “Quatsch, een karikatuur. Het studiehuis gaat standenonderwijs juist tegen omdat leraren in de les de leerlingen begeleiden en in die begeleiding kunnen variëren. Zo kunnen ze ervoor zorgen dat leerlingen die meer aandacht nodig hebben, ook meer aandacht krijgen. Dat acht ik grote winst. Het is een van de ziektes van het huidige schoolsysteem om de begeleiding uit de les te halen. Mentoruren; remedial teaching; huiswerkuren; bijspijkeruren; spellingsuren. Welk kind weet bij steunles nog wat hij drie uur eerder bij wiskunde ook al weer niet snapte?

“Het studiehuis geeft kinderen meer kansen. Je ontdekt hun talenten eerder. Voorwaarde is wel dat leraren goed naar leerlingen moeten kijken. Wie heeft er nu extra mijn aandacht nodig en wie niet? Nu worden lastige kinderen de klas uitgestuurd, en blijven degenen die gemotiveerd zijn achter. In het studiehuis wordt het eerder andersom. Degenen die goed zelfstandig kunnen werken, gaan de gang op, de studienis in. Diegenen die de coffeeshop in willen vluchten of moeite hebben op eigen houtje aan de slag te gaan, blijven bij de leraar in de klas. Desnoods verplicht, met een contract.

U bedoelt dat lastige leerlingen in het studiehuis juist minder vrijheid krijgen dan nu?

“Dat kan. De ware vrijheid is gebonden aan de wet. Grenzen stellen in het studiehuis is heel belangrijk. Laatst was ik op een school in Arnhem die zelfwerkzaamheid van leerlingen al heel ver heeft doorgevoerd. Toen ik de regels zag, sloeg ik steil achterover. Een leerling komt alleen onder een afspraak uit als hij een dringende reden heeft. Anders mag hij de les niet meer in, en mist hij de aansluiting met zijn peergroup. Leerlingen hebben hooguit twee weken geprobeerd de aanpak te traineren. Toen beseften ze: er zijn sancties, het is menens.”

Experimenterende scholen stellen gaandeweg meer lessen en toetsen verplicht. Wat heeft dat nog met die zelfverantwoordelijke leerling te maken?

“Ja, dat haalt je de koekkoek. Dat is de culture clash. Kinderen zijn gewend klassikaal les te krijgen en opeens, pats: een experiment in klas vier. Ik ben ervan overtuigd dat als je het studiehuis doortrekt naar de onderbouw, zoals we van plan zijn, dat al die verplichtingen vanzelf weer teruggedraaid kunnen worden. Ook al omdat leerlingen op de basisschool wel zelfstandig leren werken, vaak in tempogroepen.”

De begeleidende rol betekent een taakverzwaring voor de leraar. Neemt u daarmee geen risico, nu het docentencorps vergrijst en de kwaliteit van de lerarenopleidingen volgens de Onderwijsinspectie onder de maat is?

“Klopt. In de nascholing ligt het komende jaar een belangrijke taak weggelegd voor ons en de pedagogische centra. Leraren hebben handvatten nodig. Anders dreigt er voor ons eenzelfde lot als voor Mammoetwet en de basisvorming. Die hebben het vliegwiel van meer zelfstandigheid nooit in beweging gekregen. Om dat risico te vermijden hebben we een nieuw woord voor school bedacht. Het woord 'studiehuis' moet voorkomen dat iedereen vasthoudt aan oude paradigma's van roosters, lesuren, vaklokalen. Een nieuw begrip dwingt scholen en leraren de vernieuwing ook echt inhoud te geven.”

De eerste hulpmiddelen voor leraren liggen al klaar. Ongeveer 250.000 betrokken docenten krijgen in september een studiehuis-ABC waarin de tachtig meest gestelde vragen aan de orde komen. Bovendien wordt er een studieplannings- en registratiesysteem ontwikkeld, waarbij docenten met één druk op de knop de prestaties van hun leerlingen kunnen volgen. Ook alle uitgevers kunnen hun software 'inpluggen' op dat computersysteem zodat correctietijd wordt gewonnen en leraren niet degraderen tot boekhouders.

Na de oorlog is het idee van meer zelfstandigheid keer op keer uitgedragen. Maar nooit kregen de Montessorischolen de overhand in het Nederlandse onderwijs.

“Het is een misvatting dat het studiehuis Montessori-onderwijs is. En ten tweede: het is een misvatting dat we staatspedagogiek preken. Een blauwdruk van het studiehuis bestaat niet. Het studiehuis is een open concept. Hoe scholen het invullen, mogen ze zelf weten. In Hilversum hebben we een 80-minutenrooster, een andere school kiest voor 's morgens les en 's middags zelfstudie. Dat hangt af van je leerlingen, het type docenten noem maar op. Een school in Amsterdam met meer dan de helft allochtone leerlingen ruimt meer tijd in voor taal dan een school in Winterswijk. Zo'n school kan ook meer uren klassikaal blijven geven, misschien wel alle lesuren als dat nodig is.

Dan verandert er niks. Dan wordt het studiehuis een roosterwijziging.

“Welnee. Er zal hoe dan ook veel veranderen doordat alleen al de nieuwe methodes en de examenprogramma's andere eisen aan leerlingen stellen: kennis en vaardigheden. Wat heb je aan kennis waar je niet mee om kunt gaan: NaCl iskeukenzout. So what?

Zijn die nieuwe eisen inmiddels niet achterhaald? Universiteiten en hogescholen verschoolsen juist weer met hun 'studeerbaarheidsplannen'.

“Dat is ons een bijzonder grote zorg. Als onze leerlingen straks komen, moet die plannen weer op de helling. Dan is het tijd voor een nieuwe pedagogiek. We hebben daarvan een mooi voorbeeld gezien in Schotland. Scholen stellen daar een portfolio samen met prestaties die leerlingen op school hebben geleverd en daarop stemmen de universiteiten hun aanbod en begeleiding af. Je moet bedenken dat er vanuit heel Europa met belangstelling naar onze beweging in Nederland gekeken wordt. Geen enkel land heeft zoals Nederland zijn hele didactiek in de waagschaal gelegd.”

Is het studiehuis al die moeite wel waard? Want wat hebben kinderen na het Roland Holst voor op leerlingen die op de hoek schoolgingen?

“Ik denk dat ze beter hebben leren plannen. Ze hebben geleerd vooruit te werken. En wat het belangrijkste is: ze zijn in staat zichzelf kritisch te beoordelen. Dat is, denk ik, de essentie van onderwijs in deze tijd. We moeten kinderen op een andere manier op het leven voorbereiden dan vroeger, met andere vaardigheden: zelfkritiek, flexibiliteit. Anders overleven ze niet.”

Visser 't Hooft kijkt het raam uit, over het statige Lange Voorhout. “Weet je”, zegt ze met een dromerige blik. “Op de werkplaats hebben we projecten gedaan vanaf Atheneum-3 tot aan de examenklas. Leerlingen en leraren deelden samen de leerstof in, maakten samen projecten. De klas had een actiekreet: we leren niet voor de school maar voor het leven. Dat is precies wat het studiehuis bedoelt: leren omdat je leven ervan afhangt.”