Dit is een artikel uit het NRC-archief

Economie

Oeso: vergrijzing treft Nederland het hardst

ROTTERDAM, 20 JUNI. De Nederlandse overheidsuitgaven voor gezondheidszorg en pensioenvoorziening zullen de komende 35 jaar door vergrijzing van de bevolking sterker stijgen dan in de andere landen van de OESO op Finland na.

Dit blijkt uit de vanmiddag gepubliceerde halfjaarlijkse Economic Outlook van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in Parijs.

In het jaar 2010 blijft de uitgavenstijging nog beperkt tot 1,5 procent van het bruto binnenlands produkt (bbp). In 2030 is de stijging opgelopen tot 10,2 procent van het bbp (6,9 procent voor pensioenvoorziening en 3,3 voor gezondheidszorg). Dit komt overeen met bijna 70 miljard gulden. Voor landen als de Verenigde Staten, Duitsland en Japan ligt de uitgavenstijging in 2030 tussen de 4,3 en 7,5 procent van het bbp.

De OESO waarschuwt dat een verhoging van de belastingen en premies ter financiering van de pensioen- en gezondheidsuitgaven negatieve gevolgen heeft voor de arbeidsmarkt. Een dergelijke lastenverhoging is daarom “onhoudbaar”, zeker in landen waar de lastendruk al relatief hoog is. Volgens de OESO zijn daarom bezuinigingen op overheids- en sociale uitgaven nodig. In dit verband is ook een verbetering van de kwaliteit van de overheidsuitgaven gewenst. De organisatie in Parijs waarschuwt tegelijkertijd dat de politici ervoor moeten zorgen iedereen van economische groei kan profiteren en dat armoede en sociale uitsluiting wordt voorkomen.

De OESO verwacht dat de economische groeicijfers in de aangesloten landen meer met elkaar in de pas zullen lopen dan in de afgelopen jaren. In Japan en Europa treedt herstel op, terwijl de Verenigde Staten blijven profiteren van een gestage groei. De OESO verwacht voor dit jaar een gemiddelde groei van 2,1 procent en volgend jaar 2,5 procent. De Europese OESO-landen blijven dit jaar met 1,6 procent iets achter bij het gemiddelde, vooral door een verwachte tegenvallende groei in Duitsland van 0,5 procent.

Volgend jaar komt de Europese groei uit op 2,7 procent, terwijl die in de OESO als geheel naar verwachting 2,5 procent zal bedragen. Voor wat betreft Europa maakt de OESO wel het voorbehoud dat het geslonken vertrouwen in de economie moet toenemen. De groei in de VS wordt voor dit jaar geraamd op 2,3 procent en volgend jaar op 2 procent. De groei van de wereldhandel loopt dit jaar iets terug van 8,5 naar 7 procent. De inflatie in het OESO-gebied daalt dit jaar met 0,8 tot 3,7 procent.

Ook de OESO is net als de Japanse regering volledig verrast door het begin deze week gepubliceerde Japanse groeicijfer van 3 procent in het eerste kwartaal, wat neer zou komen op 12,7 procent op jaarbasis. Analisten in Japan geloven overigens geenszins dat de groei hierop zal uitkomen. De OESO houdt het voor Japan dit jaar op een groei van 2,2 procent en volgend jaar 2,4 procent. De Parijse organisatie waarschuwt Tokio dat maatregelen nodig zijn om het overheidstekort, dit jaar oplopend tot 4,8 procent, terug te brengen.

Volgens de OESO vertraagt de groei in Nederland dit jaar tot 1,6 procent, waarna volgend jaar herstel optreedt tot 2,6 procent. Het Centraal Planbureau raamde onlangs 3 procent in 1997. Het Centraal Bureau voor de Statistiek maakte drie weken geleden bekend dat de groei in het eerste kwartaal op jaarbasis met 1,8 procent veel hoger was uitgevallen dan verwacht. Vooral de consumptieve bestedingen namen toe, met 3,2 procent, de sterkste groei sinds 3,5 jaar. De OESO meent echter dat het Nederlandse groeiherstel vooral wordt bepaald door de export, overheids- en bedrijfsinvesteringen.

De OESO meent dat op middellange termijn een restrictief budgettair beleid “de hoogste” prioriteit heeft. Volgens de Parijse organisatie is er in Europa nog ruimte voor een “voorzichtige” monetaire versoepeling ter stimulering van groei. De OESO lijkt enige afstand te nemen van het Duitse beleid de geldgroei centraal te stellen in het anti-inflatiebeleid. Duitsland wil dat deze norm straks ook in het kader van de Europese monetaire unie wordt gehanteerd. De OESO stelt vast dat de geldhoeveelheid “slechts een losse relatie” heeft met de inflatie.