Handleiding voor het vervalsen van oude meesters

Nieuwe opsporingstechnieken van de kant van het gezag leiden in de regel tot grotere inventiviteit van de zijde van diegenen die het willen ontduiken. Sinds Han van Meegeren in 1945 'live' in de rechtszaal aantoonde de vermeende Vermeers te hebben vervalst, hebben kunsthistorici heel wat nieuwe, natuurwetenschappelijke methoden ontwikkeld om schilderijen te onderzoeken.

Een talentvolle vervalser zou daar zijn voordeel mee kunnen doen.

Voordat het eigenlijke werk kan beginnen, moet de vervalser-in-spe wel kunsthistorisch marktonderzoek doen. Het is handig om, net als Van Meegeren, in te spelen op de stokpaardjes van de kunstexperts. Wanneer bijvoorbeeld vermoedens geuit worden over een 'missing link' tussen twee stijlperioden van een schilder, is dat een mooi gat in de markt voor een potentiële falsaris.

Omdat specialisten nu eenmaal geneigd zijn hun theorieën door dik en dun te verdedigen, kan de niche optimaal worden benut.

Paradoxaal genoeg is de aanschaf van een authentiek werk uit de desbetreffende periode de eerste investering die de serieuze vervalser moet doen. Van de 'drager', een paneel of doek, is relatief makkelijk vast te stellen of die ook echt oud is. Achterdocht uit de hoek van dendrochronologen - jaarringenonderzoekers - en doekenexperts zijn het simpelst te vermijden wanneer de nieuwe Vermeer, Hals of Rembrandt op een originele zeventiende-eeuwse drager geschilderd wordt. Voor rond de vijfduizend gulden is op de kunst- en antiekveiling een niet al te groot doek van een onbekende meester te koop. Vergeleken met de te verwachten opbrengst is dat zeker geen overmatige investering.

Van Meegeren zette de vervalsing niet zonder meer over de oude voorstelling heen, maar schuurde die eerst tot op de grondering af. Bij hem zal dat uitsluitend bedoeld zijn geweest om een egale schildergrond te verkrijgen, maar deze handelwijze is voor de moderne vervalser ook aan te raden.

Tegenwoordig kan een onder het huidige schilderij liggende voorstelling met röntgen- of infraroodstraling (gedeeltelijk) zichtbaar worden gemaakt. Hoewel het in de zeventiende eeuw niet ongebruikelijk was om een stuk over te schilderen, is de aanwezigheid van een onderliggend schilderij voor de huidige deskundige toch altijd aanleiding zich wat meer in het schilderij te verdiepen dan de vervalser lief is.De volgende stap is het schilderen zelf. Sinds verf vanaf de negentiende eeuw machinaal wordt vervaardigd, zijn er omstreeks veertigduizend verschillende pigmenten ontwikkeld. Daarvan zijn er zo'n tweeduizend als kant en klare verf, aangemaakt met bindmiddel, in de handel.

De zeventiende-eeuwse schilder moest zijn verf zelf wrijven uit olie en kleurstof. Hij beschikte daarbij over niet meer dan zo'n twintig pigmenten.

Wie denkt met dat lijstje alsnog zijn tubetjes te kunnen inslaan, komt bedrogen uit. Industrieel vervaardigde pigmenten zijn veel fijner en regelmatiger van korrelstructuur dan die in oude verf. Onder een microscoop is dat verschil aan een minuscuul verfmonster uit het schilderij direct te zien.

Gelukkig kan de vervalser terecht bij verfmolen De Kat op de Zaanse Schans, waar op ambachtelijke wijze gemalen pigmenten worden verkocht. Een echte perfectionist kan sommige kleurstoffen, zoals het onmisbare maar zwaar giftige loodwit, ook nog zelf maken. Geheel volgens zeventiende-eeuws gebruik levert een rolletje lood in een aardewerk pot, afgedekt met een verse koeienvlaai, het benodigde witte pigment. Omdat de efficiënte zeventiende-eeuwse schilder zijn verven altijd netjes afgepast per kleurpartij opbracht, kan een vervalser zeker niet flamboyant aan het smeren slaan. Een op die manier gemaakt schilderij verraadt zich namelijk meteen. Waar een echte oude meester er op de zwart-witte röntgenfoto uitziet als naast elkaar geplaatste grijze en witte eilandjes, al naar gelang de per partij gebruikte pigmenten, toont de vervalsing een smeerboel van grijs omdat de kleuren op het palet door elkaar gemengd zijn.

Voor het schilderen moet de keuze van de voorstelling al vast staan. Het samenstellen van de vervalsing uit elementen van authentieke schilderijen is nog altijd de beste werkwijze. De zeventiende-eeuwse schilder was voor zijn levensonderhoud afhankelijk van zijn ambacht. Het was in zijn belang om zo doelmatig mogelijk met tijd en materiaal om te gaan. Een van de manieren om dat te bereiken was om niet telkens opnieuw naar levende modellen te werken.

Schilderijen werden grotendeels bijeengeraapt uit bestaand materiaal, eerder gemaakte tekeningen of gekochte prenten die als werkkapitaal voor de schilder fungeerden. De vervalser opereert dus geheel binnen de traditie wanneer hij dat werkkapitaal benut voor een nieuw topstuk. Niettemin verraadt een al te slaafse navolging de latere kopiist altijd. Het is dus wel zo verstandig om een paar ongewone elementen en kleine wijzigingen in te voegen, alsof de schilder halverwege opeens alsnog een betere compositie voor zich zag.

De finishing touch is de nieuwe verflaag van een doorleefd uiterlijk te voorzien. De wijze waarop Van Meegeren zijn werken maltraiteerde om ze er oud te doen uitzien, is daar nog steeds heel geschikt voor. Om craquelé te laten ontstaan, rolde hij de doeken in en uit. Extra patina kregen zijn schilderijen door ze in de oven 'af te bakken'. De kunstmatige veroudering die in laboratoria wordt toegepast voor onderzoek naar het gedrag van verf is op hetzelfde principe gebaseerd: deze monsters worden blootgesteld aan extreme omstandigheden, hoge lichtsterktes en snelle temperatuurs- en vochtigheidswisselingen.

Wanneer u met deze handleiding nog niet in staat bent uw eigen oude meester te maken, geeft dat misschien aan hoeveel talent en vindingrijkheid een goede vervalser nodig heeft. Maar misschien is dit verhaal, als aansporing in de verkeerde richting, wel overbodig. Tenslotte is het oogmerk van de professionele vervalser dat zijn werk nou juist níet bewonderd kan worden. De tijd zal het leren.