Grafstenen op het Spui

Nauwelijks had de Amsterdamse wethoudster de drie grote stenen goed en wel onthuld, vorige week, of zij hadden al een bijnaam: 'struikelblokken'. Grafstenen had ook gekund. Het zijn platte zwarte stenen met een knik in het midden (het schijnt dat ze boeken moeten voorstellen, maar dan zijn ze wel heel liefdeloos neergekwakt).

Zij liggen verspreid op het Spui, een plein waarover sentimenteel wordt gedaan sinds een deel van de provo-revolutie zich er dertig jaar geleden afspeelde; het Maagdenhuis ligt aan de zuidoostkant.

Het is ook een leuk plein, daar niet van. Een langgerekt stukje stad dat vroeger water was, een verbindingsstreep tussen binnenstad en grachtengordel. Behalve door het Maagdenhuis wordt het gemarkeerd door een fameuze boekhandel, het aloude Broodje van Kootje en de ingang van het Begijnhof. En het Lieverdje niet te vergeten, een aardig, ooit omstreden bronzen beeld van een Amsterdams jongetje. Ik heb niet opgelet: het zal toch niet zijn weggerenoveerd?

Wat er in ieder geval is bijgekomen met de renovatie zijn die struikelblokken. Ook zij zijn kunst, voor wie het nog niet doorhad. Een geschenk van de Universiteit van Amsterdam aan de stad - immers, ook armoedzaaiers willen elkaar wel eens een cadeautje geven (dan moeten de kinderen maar wat langer wachten op hun nieuwe schoenen).

Op de grafstenen staan letters, wat gepast lijkt in zo'n geletterde context. Is het een gedicht? Letterkunst? Nee, het toverwoord is 'conceptuele kunst'.

Houd u vast lezer, hier volgt de tekst. Een vertaling van de ene taal naar de andere. Dat was hem. En in het Engels: A translation from one language to another. En dat dan ook nog in het Arabisch en het Surinaams, talen die aan de universiteit niet zo gangbaar zijn, maar waarvan ze hebben gehoord dat ze in de stad veel gesproken worden. De tekst staat steeds in twee talen in gekleurde letters op de steen.

De kunstenaar die het concept verzon is Lawrence Weiner (56), een in Amsterdam wonende Amerikaan. Het is misschien niet waar dat hij, zoals kwade tongen beweren, de vorm van zijn kunstwerken niet zelf ontwerpt; maar het zijn wel de woorden die tellen voor hem, woorden die niet begrepen, niet bekeken, maar geproefd moeten worden. Gesavoureerd, zou je haast zeggen.

Het hoogtepunt van Weiners roem kwam vroeg. Ruim twintig jaar geleden viel hem de eer te beurt te worden besproken in een geruchtmakend boekje over moderne kunst, The Painted Word van Tom Wolfe. In 1970 had Weiner namelijk in een Amerikaans tijdschrift een kunstwerk gepubliceerd dat uitsluitend bestond uit een paar moeizaam geformuleerde zinnetjes met de volgende strekking: als de kunstenaar het werk ('the piece') eenmaal heeft bedacht, is de vraag of het verwerkelijkt wordt, onbelangrijk.

“Dat was het dan eindelijk!” riep Wolfe uit. “Geen realisme meer,” (ik vertaal even vrij) “geen lijnen of kleuren, geen evocaties, geen lijsten, geen musea meer en geen geworstel met het Platte Vlak, publiek is overbodig en de kunstenaar als persoon eveneens... In deze onthechte staat maakte de kunst haar laatste reuzensprong, verdween in haar eigen diepste gat - en kwam aan de andere kant tevoorschijn als kunsttheorie, als woorden, als literatuur zonder visie, onzichtbaar plat en even ongrijpbaar als engelen en geesten.”

Het is niet niks, aldus bij monde van een bevlogen auteur het eind van de moderne kunst te mogen inluiden. Maar ja, wel een probleem als je pas vijfendertig bent en kunstenaar van beroep.

Voor Lawrence Weiner werd Nederland de oplossing. Niet lang na het verschijnen van Wolfe's schotschrift vroeg de directeur van museum Boijmans van Beuningen hem, Weiner, om een kunstwerk. Het werd een zin (wilt u hem weten? hier dan: Worn down enough by erosion to allow the flow of all but that which through damming is closed off, maar u moet het zelf vertalen) die met ijzeren letters op een mooie plaats naast een trap in het museum werd bevestigd.

Die museumdirecteur was Wim Beeren, een man die heeft gezegd dat hij zich bij prachtige kunst vaak verveelt. Weiner bleef in Nederland wonen, broedde teksten uit die nu eens op luciferdoosjes, dan weer op buttons, balpennen of boekenleggers stonden, en heel soms op de muren van musea die zich van de dood van de Moderne Kunst duidelijk weinig hebben aangetrokken.

Later werd Beeren directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Na zijn vertrek was de voorgevel van dat museum eveneens verrijkt met een tekst van Lawrence Weiner. Goed, ook die tekst zal ik u geven: Een voorwerp gemaakt om op een ander te lijken door toevoeging van een voldoende hoeveelheid uitwendige kwaliteiten, en dat dan ook nog in het Engels, het geheel in een bronzen plaquette gegoten. 'Een schitterende uitspraak' noemde Beeren het in een afscheidsinterview in deze krant - al bekende hij niet zo goed te begrijpen wat ermee bedoeld werd. Nee, het ging niet over het restaureren van vernielde schilderijen, dacht hij.

En nu dus die grafstenen op het Spui. Volgens de voorzitter van het College van Bestuur van de universiteit, J. Gevers, symboliseert de tekst van Een vertaling de functie van de universiteit in de samenleving. Curieus eigenlijk, voor wie altijd dacht dat de universiteit er meer was voor het bedenken en onderzoeken van zaken. Maar goed, Gevers moest iets zeggen over zo'n werk dat hij zelf had besteld.

Of nee, Gevers had het niet zelf besteld. Daar heeft de universiteit natuurlijk een kunstcommissie voor. De kwaliteit van die commissie wordt gegarandeerd door de persoon van haar voorzitter. Dat is Wim Beeren, die er in het eerder genoemde afscheidsinterview zo treffend op heeft gewezen dat ook een opdrachtgever geniaal kan zijn.

    • Ileen Montijn