Havermout

In Rotterdam is destijds besloten, dat ik - zo enigszins mogelijk - gedurende dit Europees Voetbalkampioenschap niet daarover zou schrijven. Dit te respecteren besluit (advies) stoelde op het onmiskenbare feit dat er al menig journalist van NRC Handelsblad naar Albion was gereisd om ginds zijn helder licht te laten schijnen. Wat moet ik dan nog? Bovendien kon het allemaal wel eens teveel worden en de indruk wekken dat er nauwelijks andere onderwerpen bestonden. Wat uiteraard niet waar is.

Toen ik van het advies (besluit) vernam, zat ik op Roland Garros en was ik ondergedompeld in toptennis. De mededeling uit Rotterdam deed mij nauwelijks iets. Zal ik een paar weken niet over voetbal schrijven - het leek mij eigenlijk wel een aardige gedachte. Maar nu zit ik thuis en zie al die beroemde en nog niet beroemde voetballers uitzwermen over mijn scherm. Goed, middelmatig of slecht: ik ga er in op, maar ik kan er mijn ei niet in kwijt, want afspraak is afspraak.

Zelfs als mijn vingers jeuken om de affaire-Davids te bespreken (ik ben de twintigste al, maar die andere negentien hebben hun ei intussen gelegd) voel ik het even strenge als vriendelijke oog van de chef van de sportredactie op mij gericht: “Niet doen, Herman, je weet wat we afgesproken (geadviseerd) hebben.”

Iets anders dus. Maar wat? Plotseling interesseert Rosmalen mij niet en gun ik het toernooi van Queens slechts een vluchtige blik. Wimbledon is andere koek, maar Wimbledon is nog niet begonnen. Beetje bladeren in stukjes van Youp van 't Hek, die verdomme ook al in Engeland is neergestreken.

Kom ik de mededeling tegen dat de toenmalige voorzitter van de Go Ahead Eagles, ene meneer Voortman, destijds aan Silvio Berlusconi van de AC Milan, het dappere voorstel heeft gedaan om gezamenlijk in het Twentse Azelo een internationale voetbalschool op te richten.

De Italiaanse mediatycoon wuifde het idee binnen tien seconden weg en Youp had Voortman nog wel “rauwe tartaarknieën laten krijgen van het uren wachten op de kokosmat bij de brievenbus”.

Ander boekje. Ander verhaal. De Spaanse Nobelprijswinnaar van 1989 Camila José Cela, voert in het werkje Een elftal voetbalverhalen een speler op, die Estanislao heet, die drieduizend gulden verdient met elke trap die hij uitdeelt. Zijn baas, de graaf van Casa Lahorra, past goed op hem. Hij dekt hem 's nachts lekker warm toe met zijn baard. Estanislao is volgzaam, sentimenteel, kruiperig en atletisch. De graaf verliest hem nooit uit het oog, want de duivel mag geen kans krijgen hem door slecht gezelschap te laten verpesten.

De logica van de graaf is onweerstaanbaar. “Jij moet zorgen dat je in vorm blijft en de bal en de verdediging van de tegenpartij verrot schopt. Na je veertigste heb je nog tijd genoeg om plezier te maken.”

Estanislao heeft geen vriendin. Eens heeft hij op de radio verklaard dat hij nog veel te jong was om aan zulke dingen te denken en dat zijn enige vriendin het voetbal was. Die originele verklaring viel erg in de smaak bij de supporters en toen hij de volgende zondag het veld opsprong, beloonden ze hem met een daverend applaus.

Estanislao doucht elk morgen met koud water. De buren stellen hem ten voorbeeld aan hun slimme, astmatische neefje, die alleen maar kan biljarten. Bij moeilijke wedstrijden krijgt Estanislao in de rust een bord havermout om weer op krachten te komen. Er zijn wedstrijden geweest, dat hij, waarschijnlijk als gevolg van de havermout, met zoveel energie de tweede helft in ging dat zij aan het eind de politie moesten halen om hem ervan te overtuigen dat de wedstrijd voorbij was.

Laatste wijsheid: “Geen berg is zo hoog, of hij kan beklommen worden door een ezel met een vracht geld op zijn rug.”

En daar zijn ze nu in Engeland mee bezig.