Pronk ziet weinig in nader onderzoek Srebrenica

FLORENCE, 14 JUNI. Minister Pronk van Ontwikkelingssamenwerking ziet weinig in de wens van de Tweede Kamer om een internationale commissie onderzoek te laten doen naar de politieke en militaire besluitvorming rondom de val van de moslim-enclave Srebrenica.

De minister zei dit naar aanleiding van berichten in onder meer deze krant dat de VN de moslim-enclave bewust hebben opgeofferd en dat Frankrijk NAVO-luchtbombardementen heeft geblokkeerd die wellicht enkele duizenden moslims van de dood hadden kunnen redden. “Journalisten en historici kunnen waarschijnlijk meer bereiken dan politiek beladen internationale onderzoekscommissies”, aldus Pronk.

De minister - op dit moment aanwezig bij een internationale conferentie in Florence waar de uitvoering van het Dayton-akkoord over Bosnië wordt geëvalueerd - zei naar aanleiding van de berichten in deze krant en in een IKON-uitzending over de VN en Frankrijk, het “van groot belang” te vinden dat de VN om een reactie zou worden gevraagd op de beschuldiging dat ze de enclave bewust hadden laten vallen. Nu het kabinet die reactie heeft gekregen van VN-gezant Akashi en ook andere diplomatieke zoekacties in New York, Londen en Parijs geen bewijs hebben opgeleverd van een bewuste VN-strategie, trekt Pronk een andere conclusie dan de Tweede Kamer. Het parlement wil namelijk een nader onderzoek, bijvoorbeeld door een VN-commissie of door een internationale onderzoeksgroep onder leiding van gezaghebbende oud-politici als Jimmy Carter. Pronk, kenner van de VN en destijds nauw betrokken bij de pogingen van het kabinet de val van de enclave te voorkomen, vreest dat beide wegen doodlopen.

“We hebben in onze brief aan de Tweede Kamer niet geschreven dat de beschuldigingen in de media onjuist waren”, zegt Pronk, “maar alleen gezegd dat er 'geen enkel bewijs' voor was, waarbij wat mij betreft dat woordje 'enkel' best geschrapt had mogen worden. Je moet bij dit soort dingen namelijk oppassen je al te stellig uit te drukken. Maar goed, nu gaat het erom of dat ontbrekend bewijs alsnog gevonden kan worden. In beide gevallen - zowel bij een onderzoek uitgevoerd door de Verenigde Naties als bij een onderzoek door een onafhankelijke commissie - is daarvoor de medewerking nodig van belangrijke lidstaten van de VN. Die moeten daarvoor hun militaire besluitvorming aan de openbaarheid prijsgeven. Dat zullen zij niet doen, ook niet als gezaghebbende oud-politici als Carter dat aan bijvoorbeeld president Chirac gaan vragen.”

Pronk vindt daarom de vergelijking niet opgaan met andere reconstructies van mislukte VN-operaties uit het verleden, zoals de militaire interventie in Somalië. Daarvoor hoefden belangrijke VN-lidstaten zoals Frankrijk en de Verenigde Staten hun militaire geheimen niet bloot te geven. En een VN-rapport, ongeveer dertig jaar geleden gemaakt over het neerschieten in de Kongo van het vliegtuig met daarin de toenmalige secretaris-generaal Hammerskjöld heeft volgens Pronk destijds ook niet alle partijen kunnen bevredigen. Het D66-Kamerlid J. Hoekema verwees eind vorige week naar dit onderzoek naar de dramatische gebeurtenis uit 1961, als een van de redenen om nu weer zo'n internationaal onderzoek te bepleiten.

Er zijn al stemmen opgegaan om de Nederlandse bijdragen aan VN-operaties te stoppen als er geen internationaal onderzoek komt. Ook Pronk beklemtoont dat de reputatie van de VN gebaat is bij openheid, maar hij vreest dat aandringen op een onderzoek bij diezelfde organisatie het imago van de VN juist kan schaden. “Als het verzoek tot zo'n internationaal onderzoek wordt afgewezen zullen mensen veronderstellen dat de VN wellicht iets te verbergen hebben en kan het draagvlak voor VN-operaties verder verzwakken. Mijn intuïtie zegt dat de kans groot is dat het verzoek inderdaad wordt afgewezen. Als het onder verantwoordelijkheid van de Veiligheidsraad of de Algemene Vergadering gebeurt, zal secretaris-generaal Boutros Ghali ongetwijfeld de belangrijke lidstaten raadplegen, want hij wil volgend jaar herkozen worden. Hij zal bij hen waarschijnlijk zoveel aarzelingen tegenkomen, dat hij zo'n onderzoek niet zal starten.”

Bij die belangrijke lidstaten denkt Pronk overigens niet alleen aan Frankrijk. Hij wijst er op dat bijvoorbeeld de Verenigde Staten vorig jaar geweigerd hebben geheime satellietfoto's tijdig aan de VN ter beschikking te stellen. Die wezen op een opmars van Bosnische-Servische troepen richting Srebrenica en vervolgens op het op grote schaal afvoeren van de moslims.

Pronk kan daarom begrip opbrengen voor de grote nieuwsgierigheid van de Tweede Kamer. “De vragen over Srebrenica zullen worden blijven gesteld. Maar om antwoord te krijgen op vragen over een gebeurtenis met die dramatische omvang, is meer tijd en afstand nodig dan een internationale politieke commissie nu heeft. De Kamer zou daarom kunnen overwegen zelf een internationale groep vooraanstaande onderzoekers te vragen om over langere tijd te proberen meer antwoorden te vinden. Dat zou als alternatief niet onverstandig zijn.”