Het gaat zelden over geneukt worden; Theo van Os, genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs

Th. van Os: Beurtzang. Uitg. De Arbeiderspers, 67 blz. Prijs ƒ 29,90

Hij is scheepsarts geweest en hij is dichter, maar daarmee houdt de overeenkomst tussen hem en Slauerhoff op, zegt Theo van Os (1954). Sinds geruime tijd woont hij aan de wal en verdient hij zijn brood met genetisch onderzoek aan de Vrije Universiteit.

Voor zijn debuutbundel Beurtzang schreef hij zelf het flaptekstje. Doordat de vormgever van de Arbeiderspers een paar woorden daarin vet liet afdrukken, ontstond min of meer toevallig de volgende regel: 'Hoe pervers verlang je naar het laatste knoopje'. Volgens Van Os kunnen lezers daardoor op het verkeerde been worden gezet: “Veel mensen denken dat al mijn gedichten over seks gaan en sommigen vinden ze zelfs extreem. Moet dat nou, vragen ze, dat je je vader neukt in een droom of dat de lakens vol stront zitten, omdat dat nu eenmaal wel eens voorkomt bij anale seks?

Ja dat moet, vindt hij. “De Nederlandse poëzie is te braaf en te voorzichtig. Ik hou van helderheid, directheid, van toegankelijke gedichten in plaats van cryptogrammenpoëzie. Van poëticale gedichten, poëzie over het dichten zelf, moet hij niets hebben. Toch opent zijn bundel met het poëticale sonnet 'Beurtzang': 'De bron is even vleselijk en wringt/ zich als het lezen van een goed gedicht, een oog/ waarin de taal zich stijf en soepel binnenzingt'. De laatste regel luidt: 'een goede beurt is ook een goed gedicht'. “Dit gedicht is ontstaan uit het idee: als het dan kennelijk nodig is om iets poëticaals te maken, dan maar zo. Het is een ongebruikelijk gedicht, omdat het in plaats van over neuken over geneukt worden gaat en daar schrijven mannen zelden over.”

Behalve de homoseksuele liefde zijn van Os' thema's afscheid, rouw en godsdienst. Hij is jaloers op mensen die geloven of in een religieuze traditie staan. 'Wie geen gebed heeft, heeft geen leven', heet het in het gedicht 'Traditie'). “Religie heeft alles met seksualiteit te maken”, zegt Van Os. “Geloven is een vorm van overgave, van vereniging, waarbij het niet uitmaakt of die vereniging lichamelijk of geestelijk is.” Hoewel katholiek opgevoed, is Van Os zelf niet gelovig. “Maar dat doet niet terzake. Mijn gedichten zijn niet autobiografisch, al ontleen ik natuurlijk veel aan mijn eigen leven.”

Wat de vorm betreft is zijn werk traditioneel. Van Os hangt erg aan rijm en metrum. “Als ik voor een vaste vorm kies, ben ik gedwongen serieuzer na te denken over een specifiek woord dat ik in gedachten heb. Soms moet ik de vorm een beetje stuk maken om toch dat ene woord te kunnen gebruiken. Maar dat mag, poëzie mag knarsen, hoewel daar misschien het verwijt van enkele recensenten op is gebaseerd dat ik te weinig techniek zou hebben.”

Knarsen mag van Van Os. “Maar gedichten moeten ook zingen, zoals bij Ida Gerhardt. Als het maar niet zoetvloeiend wordt, als een kabbelend beekje. Geef mij maar een rivier, of nog beter: een snelweg. Met holle landweggetjes heb ik veel minder.”