'Euro' is veel, maar geen merk

Een ingenieur uit Etten-Leur is eigenaar van de merknaam 'Euro'. Op 4 oktober vorig jaar deponeerde de man het woord bij het Benelux Merkenbureau in Den Haag als merk voor munten en waardepapieren.

De ingenieur schijnt nu zijn hand op te houden bij de Nederlandse staat. Wie de naam 'Euro' als aanduiding voor geld wil gebruiken moet betalen, zo meent de ingenieur. Het ministerie van financiën neemt de claim zeer serieus, zo meldt NRC HANDELSBLAD op 5 juni op de voorpagina.

Hoewel het er op het eerste gezicht misschien gevaarlijk uitziet, denk ik dat de staat zich toch geen zorgen hoeft te maken. De ingenieur vecht voor een kansloze zaak.

In de eerste plaats is het zeer onwaarschijnlijk dat hij überhaupt enig recht kan ontlenen aan zijn merkdepot van het woord 'Euro'. Onder onze Benelux Merkenwet geldt immers de regel dat een merk onderscheidend vermogen moet hebben om voor bescherming in aanmerking te komen.

Niet-onderscheidend zijn bijvoorbeeld zuiver beschrijvende woorden, zoals de 'hypotheekspecialist' voor een bedrijf dat adviseert bij hypotheken of 'mega-ijs' voor een groot ijsje. Maar ook woorden die gebruikelijk zijn geworden in onze taal, zijn niet onderscheidend en kunnen dus niet als merk beschermd worden. Daarvan is het te pas en te onpas gebruikte woord 'euro' een mooi voorbeeld.

Maar onze ingenieur bezit toch gewoon een echte merkregistratie? Dat klopt, maar toch heeft hij geen rechten. Deze tegenstrijdigheid is een gevolg van een systeem van onze merkenwet van 1971.

In deze wet krijgt het Benelux Merkenbureau slechts een lijdelijke rol toebedeeld. De wet geeft het bureau niet de bevoegdheid nieuwe aanvragen te weigeren, zelfs niet als het vereiste onderscheidende vermogen overduidelijk ontbreekt.

Hierdoor is het dus mogelijk dat iemand een merkregistratie verricht voor een zuiver beschrijvend of gebruikelijk woord. Echter, het levert de deposant slechts een schijnrecht op. Pas als er een conflict ontstaat en een rechter zich over de zaak moet buigen zal aan het licht komen dat de 'merkhouder' een registratie zonder enige waarde bezit.

Mocht de ingenieur het op een rechtszaak aan laten komen, dan verwacht ik dat de merkregistratie 'Euro' zonder meer naar de prullenmand wordt verwezen. Aardig dat je het gedeponeerd hebt, maar het is nu eenmaal niet mogelijk een dergelijk niet-onderscheidend woord als merk te monopoliseren.

Wat dat betreft doet de zaak een beetje denken aan de Belg die enige tijd geleden nogal wat lawaai maakte over zijn depots van de merken 'Internet' en 'World wide web': net als 'Euro' twee kansloze registraties.

Overigens is het sinds kort überhaupt niet meer mogelijk een niet-onderscheidend merk te registreren. Sinds 1 januari van dit jaar heeft de Benelux een nieuwe merkenwet, die het Benelux Merkenbureau de plicht oplegt registratie van niet-onderscheidende merken te weigeren. Was 'Euro' na 1 januari 1996 aangemeld bij het Merkenbureau dan had de ingenieur dus niet eens een depot gekregen.

Maar stel nu dat het onwaarschijnlijke zich voordoet en de rechter het woord 'euro' om de een of andere reden toch net voldoende onderscheidend vindt. Moet de staat dan wel over de brug komen? Nee, ook dan denk ik dat een actie van de ingenieur gedoemd is te mislukken. Want in dit laatste geval is er hoogstwaarschijnlijk sprake van een depot te kwader trouw.

Van kwade trouw wordt gesproken als iemand een merkdepot verricht van een merk waarvan hij wist, of behoorde te weten, dat een ander dat reeds eerder gebruikte (zonder echter een depot te verrichten).

Gezien het feit dat er reeds voor 4 oktober 1995, de datum van het depot van 'Euro', gesproken werd over de euro als naam van onze nieuwe Europese munt, moet ook onze ingenieur hiervan op de hoogte zijn geweest.

En omdat een te kwader trouw depot geen geldig merkrecht oplevert trekt de 'eigenaar' van het 'merk' 'Euro' ook in dit geval aan het kortste eind.