Een liederenrepertoire om onbelemmerd uit te putten

Onlangs betrapte ik mijzelf erop dat ik neuriede; zingen wil ik het niet noemen. Ik had het aanvankelijk niet eens in de gaten, maar toen ik het mij bewust werd, vroeg ik mij af wat ik neuriede.

Het waren regels uit een van de berijmde psalmen waarvan ik er in mijn jeugd elke week een uit het hoofd moest leren, evenals de namen van de bijbelboeken en de jaartallen uit de vaderlandse geschiedenis: 1600, slag bij Nieuwpoort, prins Maurits knielt in het veld. Ik had liever iets anders geneuried, bijvoorbeeld liederen van Schubert, Schumann, Mahler, Theo Loevendie, Peter Schat, maar als jongetje heb je het niet voor het zeggen, of zingen, nog afgezien van de ongelukkige omstandigheid dat ik van de liederen van die componisten nog nooit had gehoord, terwijl mijn opvoeders mij met psalmgezang om de oren sloegen. Ik bezocht, op gezag van mijn gelovige ouders, de Groen van Prinstererschool te IJmuiden, een school met de bijbel, waaraan een gymnastieklokaal ontbrak, omdat kinderen werden geacht niet de spieren van hun lichaam maar, integendeel die van hun ziel te ontwikkelen. Het is, achteraf bezien, lang niet zo gek bedacht, want de ziel is oneindig behendiger dan het lichaam en kan zelfs leren vliegen, heel hoog zelfs, eindeloos hoog. Omdat ik altijd graag heb gezongen, als jongen uit volle borst, stevige psalmen en kranige vaderlandse liederen, zoals

't Is plicht dat iedere jongen

Voor d'onafhankelijkheid

Van zijn geliefde vaderland

Zijn beste krachten wijdt.

of ook:

De Heer zal opstaan tot den strijd

En zal zijn haters wijd en zijd

Verjaagd, verstrooid doen vluchten

besloot ik nu, als montere grijsaard, en in mijn nadagen mijn longen, luchtpijp, stembanden, tong, lippen en mondholte hun gang te laten gaan, zodat ik, wanneer het zo uitkomt, meestal bij de afwas of onder het koken, maar toch ook wel achteloos in de gang, het portaal of zelfs buiten, in de stilte van mijn naaste omgeving, er, in het gedempte, op los te neuriën. Wij kunnen stellen dat ik op mijn spontane en tegenstrijdige manier een bescheiden eresaluut breng aan de onderwijzers, onderwijzeressen en vooral ook het in godvrucht volijverige hoofd van de gereformeerde school, een onderwijsinstelling die mij, buiten mijn toedoen of verantwoording, ten deel is gevallen. Ik wil daar geen kwaad van spreken, of neuriën, vooral ook niet omdat het daarvoor allang te laat is. Aan de andere kant heb ik aan mijn merkwaardige opvoeding veel te danken: een benijdenswaardige bijbelkennis (een nog altijd bruikbaar referentiekader) en een gedegen oriëntatie wat betreft de geschiedenis van onze zelfs door landgenoten zo vaak gesmade geboortegrond. En dus ook een liederenrepertoire waaruit ik, al zit ik er dan mee opgescheept, niettemin onbelemmerd kan putten, niet langer, helaas, uit volle borst. Mijn longen waarschuwen mij geregeld een beetje spaarzaam met hun lucht om te gaan. In zekere zin zijn mijn longen milieubewust.

In mijn zanglust ben ik als jongen eens ten diepste gekwetst. Ik zat in de zesde klas, in de rij bij het raam, waardoor je overigens alleen maar het Hollandse uitspansel kon waarnemen. Wij kregen zangles van meneer Jongkees, van wiens naam door de jongens de smerigste verbasteringen werden gemaakt, een kleine magere maar vooral zeer kippige heer, wiens brilletje bij voorkeur van zijn neus zakte, zodat hij met zijn in weerwil van zijn brillenglazen, bijna geheel dichtgeknepen ogen slechts een vaag beeld van de leerlingen op zijn netvlies moet hebben gekregen. Meneer Jongkees trouwde met juffrouw Hazevoet, een collega uit de derde klas, een rossige mollige meid, tot de tanden gekleed, die eens, toen ik bij haar in de klas zat, onder leesles, achter mij in de rij was komen staan en nadat ik haar gehorig op haar vingers had horen sabbelen, een stuk nagel, in de vorm van een maantje in het eerste of laatste kwartier, tot mijn gruwelijke ontzetting precies op de bladzijde van mijn leesboek spuwde. Van juffrouw Breukelaar zou ik een dergelijk uit haar mond gefladderd nagelmaantje stellig, eerbiedig en belust, als een gekoesterd aandenken hebben bewaard, maar van juffrouw Hazevoets uitspuwsel was ik zo vies dat ik het zelfs niet wilde of kon verwijderen maar de bladzijde aan een van de hoeken voorzichtig tussen duim en wijsvinger vastgehouden, omsloeg en in het boek liet zitten dat na het lesuur met de leesboeken van de andere kinderen werd opgehaald en in de kast geborgen. Meneer Jongkees verwekte, eenmaal getrouwd, bij mevrouw Jongkees-Hazevoet (die op school De Vlaamse Reus werd genoemd) het ene kind na het andere, waartoe hij op grond van de calvinistische opvatting ook gehouden was.

Welnu, de klas (dertig leerlingen onder wie mijn persoontje) zong uit volle borst: “O schitterende kleuren van Nederlands vlag”. Meneer Jongkees, die uit de losse hand de maat sloeg, keek speurend rond, met bijna dichtgeknepen ogen boven zijn brilletje, naar links en rechts, stond op een gegeven ogenblik op, kwam achter de lessenaar vandaan, begaf zich in de rijen tussen de banken, luisterend, snuivend, en bevond zich ten slotte naast mijn bank, met de hand aan zijn naar mij toegewende oor. Daarna nam hij weer achter zijn lessenaar plaats, sloeg opnieuw, naar links en rechts, met achteloze onderbrekingen de maat, totdat wij uitgezongen waren, na drie coupletten, als ik mij goed herinner. Hij keek de klas nog eens rond, vestigde de blik op mij en sprak de bestraffende woorden: “Jij zingt niet mee, jij beweegt alleen maar je lippen.” Ik zat aan de bank genageld, tot in het diepst van mijn ziel, mijn volle borst, gekwetst, gewond, niet slechts door meneer Keeshond, maar door de Heer der heirscharen in eigen vlammende persoon, alsof Hij tot mij had gesproken, zoals Hij het tot Abraham, Jacob, koning David, de psalmdichter en de profeten had gedaan. Die miskenning van allerhoogste hand is mij bijgebleven en is nog altijd mijn deel van leven. Het verhindert mij nochtans niet lofliederen tot zijn eer nog op mijn oude dag, gebrekkig en verbrokkeld, maar in zekere zin eerbiedig en heel vergenoegd te zingen of, liever, te neuriën.