Bruckner-traditie op zijn kop gezet

Concert: Koninklijk Copncertgebouworkest o.l.v. Riccardo Chailly m.m.v. Frank Peter Zimmermann, viool. Programma: A. Berg: Vioolconcert; A. Bruckner: Symfonie nr 9. Gehoord: 6/6 Concertgebouw Amsterdam. Radio: 15/6 Avro Radio 4.

Tussen de voorstellingen van Otello in het Amsterdamse Muziektheater concerteert het Concertgebouworkest ook nog onder leiding van Riccardo Chailly. Het gisteren in Amsterdam uitgevoerde programma gaat de komende dagen in Parijs, Milaan en Wenen. Ze zullen er vooral in Wenen van ophoren - niet alleen vormen het door Frank Peter Zimmermann prachtig en intens vertolkte Vioolconcert van Berg en de Negende symfonie van Bruckner een bijzondere combinatie, ook klinkt de Amsterdamse Bruckner nu radicaal anders dan in de tijd van Bernard Haitink en Eugen Jochum.

Chailly, die de Negende in het begin van de jaren '80 een keer eerder uitvoerde met zijn toenmalige Berlijnse orkest, komt nu tot een vertolking die de Amsterdamse traditie op zijn kop zet. De reguliere criteria gelden niet langer. Waar vroeger de symfonie langzaam in de verte opdook als een oceaanstomer uit de mist, daar klinkt bij Chailly al meteen in het begin een fors volume. En waar we bij de opeenvolgende climaxen altijd op letten - niet alles onmiddellijk weggegeven, maar allengs sterker, daar komt Chailly al bij de eerste tot een verpletterend effect, dat aan het slot van het eerste deel nauwelijks is te overtreffen.

Ook de gebruikelijke opbouw, structuur en hiërarchie in hoofd- en nevenstemmen schuift Chailly goeddeels terzijde - zagende passages zijn soms verdwenen, legato-maten klinken met een puntig ritme, ongelijksoortigheden worden nevengeschikt, de balans tussen instrumentengroepen is vaak opgeheven. Climaxen doen zich voor als clusters en klankvelden en het altijd zo laat-Mahleriaanse klinkende slot-Adagio heeft niet meer die sfeer van bezonkenheid en afscheid, maar verrast juist door een krachtig en vitaal karakter.

Alleen de langzaam tot stilstand komende laatste maten van de onvoltooid gebleven symfonie hebben de vertrouwde werking: de evocatie van een eindeloze eeuwigheid die opeens herinnert aan het oscillerende slot van Bergs Vioolconcert (1935) - een requiem voor de op 18-jarige leeftijd overleden Manon, de dochter van Alma Mahler en Walter Gropius.

Hoe afwijkend Chailly's opvatting ook is, hij verdedigt die met overtuiging en gezag. En dan is het ook duidelijk wat Chailly met dit concert wil betogen: de in zijn tijd te Wenen zo controversiële en miskende 19de-eeuwse Bruckner, dit jaar een eeuw geleden overleden, was de ware grondlegger van de nieuwe muziek.

Hij was geen neo-classicus, zoals zijn succesvolle Weense collega Brahms die teruggreep op de Eerste Weense School, maar een echte avantgardist, niet passend in zijn tijd en nog vóór Mahler de wegbereider voor de Tweede Weense School.