Stroomlijnen per computer; Architectuurjaarboek signaleert nieuwe mode

Architectuur in Nederland. Jaarboek 1995-1996. Uitg. NAi uitgevers, 175 blz. Prijs ƒ 75,-.

Sinds een jaar of tien verschijnt het Architectuurjaarboek en elke keer is de kritiek op het boek dezelfde. Jaarlijks klinkt luid de klacht dat het boek wordt gevuld met werk van steeds weer dezelfde architecten. Een ander terugkerend verwijt is dat het jaarboek met de presentatie van twintig uitnemende werken geen juist beeld geeft van de Nederlandse architectuur. Volgens sommige critici zouden de samenstellers van het boek, die allemaal werken bij het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam, meer aandacht moeten schenken aan de lelijke gebouwen die Nederland teisteren.

Ondanks alle kritiek is het Architectuurjaarboek een succes: de oplage van 7500 is immens voor een Nederlands architectuurboek. Het boek is een ijkpunt geworden in de Nederlandse architectuur. Opdrachtgevers op zoek naar een goede architect gebruiken het ter oriëntatie en er is architecten veel aan gelegen met een werk vertegenwoordigd te zijn in het boek.

In het vorige jaarboek ging redactielid Hans van Dijk uitgebreid in op de steeds weerkerende kritiek, maar hij zag geen alternatief voor de voorspelbare aandacht aan toparchitectuur. Hij heeft natuurlijk gelijk. Hoe lelijk Nederland is, kan iedereen zelf wel zien vanuit de trein en de auto. Een boek hierover is overbodig en bovendien onverkoopbaar. De opzet van het nieuwe jaarboek is dan ook niet veranderd: twintig gebouwen worden in foto's, tekeningen en korte beschrijvende teksten gepresenteerd. Drie auteurs gaan in even zovele essays in op een specifiek verschijnsel of probleem in de hedendaagse architectuur en de redactie verantwoordt in een nawoord de selectie, waarin net als vorig jaar werk van Mecanoo, Herman Hertzberger, Hans Ruijssenaars, DKV, Ben van Berkel, Wim Quist en Frits van Dongen voorkomt. Verder bevat het jaarboek ook weer berichten over discussies die het afgelopen jaar speelden (over het Groene Hart en de prijsvragen) en een overzicht van toegekende prijzen en architectuurtentoonstellingen en -boeken uit het afgelopen jaar.

Vorig jaar stond het architectuurjaarboek in het teken van het 'esthetisch pragmatisme', de stijl waarmee Hans van Dijk de Nederlandse architectuur van de jaren negentig typeerde. Ook dit jaar duikt het begrip 'esthetisch pragmatisme' weer op in de essays, maar het wordt toch aan de lezer zelf overgelaten om vast te stellen in hoeverre deze stijl nog steeds overheerst. Architectuur is een trage kunst - tussen ontwerp en bouw zitten meestal een paar jaar - en in veel van de geselecteerde gebouwen komen verschillende stijlkenmerken (gebruik van sterk uiteenlopende vormen en materialen, schuine lijnen, aandacht voor textuur van de gevel, enzovoort) van het esthetisch pragmatisme weer voor.

Maar daarnaast tekent zich duidelijk een nieuwe mode af, die niet expliciet in een van de teksten aan de orde wordt gesteld: steeds meer gebouwen krijgen gebogen, organische vormen. Zo liet Herman Hertzberger het dak van het Chassé Theater in Breda uitbundig golven, gebruikte Mecanoo kromme, vloeiende lijnen in de middelbare school in Silvolde en paste Kas Oosterhuis stroomlijnvormen toe in woningen in Groningen en in een afvaloverstortplaats in Zenderen. Van deze architecten geeft vooral Oosterhuis hoog op van het gebruik van computers bij het ontwerpen.

De nieuwe architectuurtrend komt impliciet wel aan de orde in het essay 'Architectuur in een digitaal tijdperk' van Ole Bouman, de nieuwe hoofdredacteur van het architectuurtijdschrift ARCHIS. Computers en alles wat daarmee te maken heeft, betekenen een 'paradigmawisseling', schrijft hij: “Het digitale tijdperk impliceert een nieuw mensbeeld, een verdere relativering van de maakbaarheidsgedachte, schept nieuwe tijd- en ruimteconcepties, een nieuw idee van oorzaak en gevolg, van hiërchie, een ander soort openbaarheid, een nieuwe opvatting over materie.” Niets minder dan een ware revolutie dus, met als gevolg dat het niet lang meer duurt of de architectuur zoals wij die nu kennen kan worden dood verklaard. Toch hoeven architecten niet te wanhopen, want na het verkennen van de gevolgen van de digitalisering voor de opdrachtgever, bouwopgave, ontwerp en bouw eindigt Bouman zijn artikel verrassend optimistisch: “Wanneer de eigen agenda echter gereed is, en de juiste digitale toepassingen zijn toegeëigend, kan de architectuur, in welke mutatie dan ook, haar dood als de niet-gekozen optie terzijde schuiven.”

Met de signalering van de 'paradigmawisseling' sluit Bouman aan op het artikel van Hans van Dijk in het vorige jaarboek. Van Dijk zag toen een 'paradigmawisseling' gloren in de a-esthetische houding van Rem Koolhaas en het werk van Ben van Berkel, waarin computers een belangrijke rol spelen. Aan dit duo voegt de redactie zelf in het nawoord nu twee andere architecten toe: Victor Mani, die in zijn sportmuseum in Lelystad esthetiek negeert, en vooral Wiel Arets die zich met zijn twee in het jaarboek vertegenwoordigde gebouwen een 'vormvernieuwer' toont. Vreemd genoeg zijn Arets' nieuwe architectuurvormen niet vloeiend en organisch zoals die van computerarchitecten als Oosterhuis, maar juist hoekig en nors. Blijkbaar leidt de door de jaarboekredactie gesignaleerde paradigmawisseling tot twee soorten, volstrekt van elkaar verschillende, architectuur. Dit maakt benieuwd naar de volgende jaarboeken. Hoe zal de Nederlandse architectuur worden: bars en recht of zacht en vloeiend? Of beide?