Doopsgezinden zijn door het dal heen

Het was druk in Elspeet. Honderden doopsgezinden uit binnen- en buitenland waren het weekeinde voor Pinksteren naar het broederschapshuis op de Veluwe gekomen voor de viering van de vermoedelijk vijfhonderdste geboortedag van hun leidsman, de Nederlandse kerkhervormer Menno Simons. “Doopsgezinden zijn sympathieke mensen”, zegt een van hen, de Groningse 43-jarige predikant Fokke Fennema.

Zijn uitspraak heeft iets van borstklopperij maar slaat bij nader inzien op de wetenschap dat in buitenkerkelijke kring over doopsgezinden meestal op een positieve manier wordt gesproken. Fennema zegt dat wel verklaarbaar te vinden. Doopsgezinden zijn immers geen betweters; ze worden betrekkelijk aardig gevonden om dat ze geen grote geloofsuitspraken doen. In godsdienstige zin waren ze altijd de 'stillen in den lande' en willen dat eigenlijk nog altijd blijven. Dus zal de buitenwereld betrekkelijk weinig van hen merken.

Toch zijn de Nederlandse doopsgezinden in de loop van de laatste eeuwen wel erg ver afgedwaald van hun oorspronkelijke visies. Er is tegenwoordig onder hen weinig meer over van de vroegere principiële terughoudendheid tegenover de staat en ook is de afwijzing van alle vormen van wapengebruik en -geweld niet meer voor alle doopsgezinden vanzelfsprekend, schreef de theoloog Kees van Duin onlangs in het Algemeen Doopsgezind Weekblad. Maar tegelijkertijd signaleert Van Duin dat er onder zijn geloofsgenoten sprake is van een kentering, waardoor straks hopelijk terecht weer het etiket van 'historische vredeskerk' kan worden gedragen.

Menno Simons (1496-1561), de Friese dorpspastoor wiens volgelingen overal elders mennonieten of mennisten worden genoemd maar in Nederland als doopsgezinden door het leven gaan, zou vijfhonderd jaar geleden in Witmarsum zijn geboren. Over deze enige reformator van Nederlandse bodem is vrijwel niets bekend. Over zijn vroegste jeugd al helemaal niets. Wel weet men dat hij later wel wat heeft geleerd en dat hij examens heeft gedaan want in 1524 werd hij in Pingjum tot priester gewijd. Toen hij daar aangesteld was, wist hij wel iets van de bijbel, maar had daar waarschijnlijk nog nooit in gelezen. Later kon hij dat wel nadat hij van een koopman een exemplaar van het Nieuwe Testament had gekocht. Door dit lezen begon hij als zovelen te twijfelen aan de leer van de rooms-katholieke kerk van zijn tijd.

Toch duurde het nog lang voordat Simons in 1534 de moed vond om de kerk van Rome te verlaten en zijn priesterschap op te geven om zich aan te sluiten bij de van huis uit Zwitserse doperse beweging die in 1530 via Duitsland de noordelijke Nederlanden bereikte. Het was een onrustige tijd in die jaren. Allerlei nieuwe, religieuze denkbeelden ontstonden. Vrij algemeen vreesde men dat de eindtijd nabij was en dat dan slechts de uitverkorenen gespaard zouden blijven. Radicale Nederlandse wederdopers brachten die eindtijd eigener hand een stuk dichterbij door de Duitse stad Münster al het nieuwe Godsrijk op aarde te stichten.

Menno Simons, die zich na zijn breuk met de roomse kerk bij de doperse beweging had aangesloten, moest van het Münsterse gedoe dat voor de beweging zware geloofsvervolgingen met zich meebracht, niets weten en predikte een vredelievend christendom dat afzijdigheid van de wereldse overheid zonder wapendragen en zonder eedzweren voorstond en een wedergeboren leven in sobere navolging van Christus. Na Simons' dood in 1561 viel de beweging in allerlei richtingen uiteen die elkaar hartstochtelijk verketterden. Van enige eenheid was geen sprake meer en zo is het eigenlijk altijd gebleven.

Een groot theoloog was Menno Simons beslist niet, zegt dominee Fennema die sinds kort predikant in algemene dienst van de doopsgezinde broederschap in Nederland is. “Eigenlijk is hij iemand van wie we allang niets meer moesten hebben. Maar hij is nu zo'n beetje herontdekt. Wat zo bijzonder aan hem was, is dat Menno qua geloof zo zuiver persoonlijk en heel praktisch in zijn aanpak was. Dat maakt hem en zijn vredesboodschap, weer heel actueel. Vooral onder doopsgezinde jongeren is dat heel duidelijk zichtbaar. Doordat doopsgezinden niet langer zoals decennia lang het geval was, niet meer van die typisch liberale vrijzinnige protestanten maar wat orthodoxer aan het worden zijn, zijn we een beetje door het dal van de secularisering heen en is de achteruitgang vrijwel achter de rug.”