De Generaal en de omvang van het ijsje

Toscane. Het weggetje tussen de olijfbomen is even mooi als slecht. Alleen geschikt voor tweebeen- en vierwielaandrijving. Dat was de inzittenden van een grote personenauto inmiddels ook opgevallen. Een kolossale BMW versperde de weg.

De bestuurder probeert te keren, maar zijn monumentaal bezit is meer geschikt voor oprijlanen. Ik wacht.

Voorbij de auto staat een huis, zo'n zestig meter verderop. Van daar slaat nog iemand het schouwspel gade. Een boerenvrouw, op slofjes. Schort voor, hand aan de bezem. Halverwege een stenen trap.

De man achter het stuur, intussen, maakt foutjes en werkt zich steeds verder in de nesten. Hij krijgt het er zichtbaar warm van. De vrouw naast hem, daarentegen, maakt juist een wat ijzige indruk. Op schoot Italiaans 'Schöner Wohnen'. Hooggeblondeerd, lijkt ze zich klem te voelen tussen twee aandachtige blikken. Ook ik voel wat: Het contrast tussen mijn bergschoenen en wat ik aan haar voeten vermoed.

Hoewel slechts weinige meters ons scheiden, kijkt de vrouw me echter geen moment aan. De man ook niet, maar daar heeft-ie gelijk in. Nog even moeizaam manoeuvrerend, verwordt de situatie van netelig tot kritiek. Achter zijn glanzend witte wagen gaapt nu een diepte. Niet voldoende voor een roemrijke dood, wel voor een roemloos einde van iets anders dat hem zonder twijfel dierbaar is. In de diepte staat een bouwseltje van golfplaat, een materiaal dat daar opeens indringend aan doet denken. De man vreest achter zich wat ik al voor me zie.

Maar hij redt het. Hij geeft gas, nogal nijdig, en verdwijnt uit het gezicht. Een stofwolk achter zich aan. Daarna ik.

Bij de trap van het huis sta ik stil. Want de vrouw met de bezem kijkt nu naar mij. We zijn verbonden doordat we iets delen, al is het maar iets kleins. We hebben samen iets gezien, wij alleen. Een spektakeltje.

We lachen wat.

“Maar, weet u”, zegt de boerin, “verder is il Generale een goed mens.”

“De generaal?”

“Ja, dat was de Generaal, met zijn vrouw. Kent u die niet?”

Nee, die kende ik nog niet.

“De Generaal komt hier uit het dorp”, vertelde de boerin met een mengeling van trots en ontzag. “En weet u”, ging ze voort, nu op vertrouwelijke toon, “toen mijn zoons in dienst moesten, heeft hij ervoor gezorgd dat ze goed terecht kwamen. Allebei.”

“O ja?”

“Ja, en weet u wat-ie er voor vroeg?” Haar blik had bijna iets triomfantelijks.

“Olijfolie! Verder niks!”

De buurvrouw kwam bij ons. Ze wilde zes flessen wijn kopen. Geen gewone, nee, dure. “En bekende.” Het moest in een mooie kist. “Die mag ook best wat kosten hoor”, zei ze. “Ja, want, weet je, onze zoon, die moet toch in dienst? En nu heeft...”

Amsterdam. Het is alweer een tijd geleden dat ik hem ontmoette, de ijscoman. In een eethuisje. Zelfs een ijscoman kan niet alleen maar ijs eten.

De ijscoman was een tevreden mens. Geen wonder, hij had een van de beste stekkies van de stad. Ik vroeg 'm wat-ie vroeg. Voor een ijsje.

“Nooit hetzelfde”, zei-die. “Ik kijk de mensen eerst aan. Ik schep naar draagkracht.”