Dit is een artikel uit het NRC-archief

Taal

Het sluipen van de taal

Veranderingen in woordgebruik vormen een boeiend verschijnsel. Zij doen mij er vooral steeds weer met verbazing aan denken dat er ééns iemand de eerste moet zijn geweest die een bepaald woord in de mond nam. Maar wie en wanneer? Of is het net als met uitvindingen, waarvan men zegt dat ze vaak op diverse plaatsen in de wereld in ongeveer dezelfde periode worden gedaan, doordat de vooruitgang in denkprocessen en bijbehorende experimenten iets universeels heeft? Wat de Nederlandse taal betreft is dat universele beperkt tot een klein grondgebied. Dan is er dus niet één Nederlander die voor het eerst 'Doei' zei, maar waren het er bijvoorbeeld drie, ongeveer tegelijkertijd in Twente, Utrecht en de Peel. Dat maakt de komst van dat nieuwe woord overigens niet minder raadselachtig. Welk proces heeft ertoe geleid? Mijn hypothese is dat het een samentrekking is van 'Doe ik' als belofte bij een afscheid, bijvoorbeeld om nog eens langs te komen of te bellen. Maar ik geef haar graag voor een betere.

Ander voorbeeld. Er was een tijd dat je mensen kon horen zeggen 'Dan denk ik wel eens: waarom doet hij dat?' of 'Ach, dan zegt zo'n dokter: u zou meer aan lichaamsbeweging moeten doen' of 'Die roddelbladen schrijven toch alleen maar wie het met wie doet'. Maar tegenwoordig zegt men in zo'n geval 'Dan denk ik wel eens van waarom doet hij dat'. En het is 'ze zeggen wel eens van' en 'de bladen schrijven van' geworden. Dat kleine woordje 'van' heeft zich een prominente plaats veroverd in het spraakgebruik. Luister maar naar elk willekeurig gesprek. En weer is de vraag: vanwaar? Is er een populaire televisiefiguur geweest met een idiosyncratisch idioom dat sluipenderwijs is nagevolgd. Dat is mogelijk, want de televisie heeft ons diverse nieuwe woorden bezorgd.

De media hebben zo in het algemeen hun eigenzinnig taalgebruik. Al eens eerder heb ik gewezen op de buitengewoon krachtige klemtoon die vrijwel alle nieuwslezers bij de fileberichten leggen als zij ons melden dat hier en daar sprake is van langzaamrijdend en stilstaand verkéér. Een hardnekkige gewoonte uit onnaspeurbare motieven. Een ander woord dat met name op de radio, maar daar niet alleen, regelmatig zeer nadrukkelijk wordt uitgesproken is 'precies'. Het gaat dan om gebeurtenissen die preciés drie jaar geleden hebben plaatsgevonden, of om beroemdheden die preciés honderd jaar geleden werden geboren dan wel stierven. Dat woordje 'precies' wordt daarbij enigszins triomfantelijk gebracht, alsof het heel bijzonder is dat iets zomaar drie of honderd jaar geleden kan zijn. Men verliest geheel uit het oog dat onze tijdrekening nu eenmaal zo in elkaar zit dat er onherroepelijk een dag komt dat het zo ver is. Niks bijzonders aan.

Ik kan het nog sterker vertellen: op ieder uur van de dag ìs het precies - naar keuze - een week, een maand, een jaar, een eeuw later dan op dat uur van de dag een week, een maand, een jaar, een eeuw geleden. Gek hè? 'Precies' is natuurlijk alleen met verbazing te gebruiken als het gaat om verschillende gebeurtenissen die door toeval een opvallend tijdsverband hebben: A werd precies op de datum geboren als waarop zijn grootvader vijftig jaar eerder het eilandje B ontdekte.

Maar vaak weerspiegelt het woordgebruik in de media alleen maar wat zich in de samenleving heeft ontwikkeld. Neem nu het lelijke woord 'meiden' als een gangbare aanduiding voor meisjes en jonge vrouwen. In de jaren zeventig in emancipatoire kring werd 'meiden' aangenomen als geuzennaam in het protest tegen de traditionele lieve, zachte, meegaande rol die meisjes was toebedeeld. Een opzettelijke verruwing, misschien ook wel vulgarisering om via shockering duidelijk te maken dat het ernst was. Marie moest wijzer worden, tante Sjaan moest klaarkomen en meiden moesten kunnen scheiden. Het zal zeker functioneel zijn geweest. Een revolutionaire doorbraak bereik je niet met fijnzinnigheid. Maar ik weet geen verklaring te vinden voor het feit dat het woord 'meiden' is blijven hangen en tegenwoordig in iedere respectabele krant is te vinden als normale benaming voor een categorie medemensen. Zijn het inderdaad allemaal meiden geworden in de volkse betekenis van het woord? Ik kan er slecht aan wennen.

Zoals het mij ook nog steeds bevreemdt als paren die langdurig samenwonen over elkaar spreken als over 'mijn vriend' of 'mijn vriendin', zelfs als ze samen kinderen hebben. En ook dat wordt door de media overgenomen. Twee weken geleden was het naar aanleiding van de bevrijding van de gijzelaars 'Marc en zijn zwangere vriendin' voor en na in kranten en op de radio en televisie. Ik vind het niet èrg als die aanduiding wordt gebruikt, maar ik begrijp het niet. Iedereen heeft van tijd tot tijd wel een zwangere vriendin, maar dat is toch iemand anders dan de vrouw die jouw kind draagt. En iedereen heeft hier of daar wel een vriend, maar is die van eenzelfde orde als degene met wie je tafel en bed deelt? En is het aardige van een taal nu juist niet dat je daarin verschillende woorden kunt gebruiken om nuances aan te brengen?

Toegegeven, vriend en vriendin is beter dan 'partner'. Partner is wèl erg als aanduiding voor een geliefde. Met een partner ga je tennissen of bridgen, in zee voor zaken of desnoods via de escortservice op stap. Maar kun je zo'n geslachtloos wezen beminnen? Je ziel en zaligheid aan verbinden?

Ik begrijp de afkeer van 'mijn man' en 'mijn vrouw' niet. 'Het klinkt zo bezitterig', wordt dan wel eens gezegd. Maar dat zit semantisch zowel als gevoelsmatig in het voornaamwoord, niet in het zelfstandig naamwoord. Het lijkt me overigens ook voor homoseksuele en lesbische paren die al jaren samen zijn prettiger te spreken over respectievelijk 'mijn man' en 'mijn vrouw'.

Ook al ben je niet getrouwd, je hebt toch een specifieke keuze gemaakt. Uit talloos veel miljoenen net die ene op het oog gehad. Hetzij voor eeuwig, hetzij voor zo lang als het duurt.