Giro

Het was zo'n zaterdag voor verloofdes. Onbestemd weer, iets te winderig om een middagje te flaneren. Verloofdes weten hoe je met het weer om moet gaan. Zij geven de stortbui uren van tevoren aan met een fel rukje aan de arm, meestal pal voor de etalage van Armani of Leonidas. Waar wij vergetelheid zoeken, vinden zij geluk.

“Ha, die Hugo.”

“Dag meneer”, roep ik terug en zie dan pas het mooie, glimmende hoofd van Peter Post. Ik schrik me een ongeluk. Peter Post op zaterdag in Antwerpen? In de eerste week van de Giro? Goed volk aan de arm, dat wel, maar toch: moest hij nu niet in dat Victoriaanse hotel in Taggia zijn? Je weet dat de oude ploegleider nog op om het even welk ogenblik kan toeslaan, maar toch niet tussen de bonbons en de mantelpakjes. Peter Post die uit een woud van geföhnde kapsels komt gevallen, het heeft de bizarre dramatiek van Napels zien en sterven.

Hoewel hij zijn blauwe blazer ook nu weer draagt als een harnas van grandeur is het niet te verdragen dat deze legende een beetje namens zichzelf loopt te lummelen. Zijn gezag is ontstaan uit baldadige reislust, van de ene klassieker naar de andere, van de Bicicleta Vasca naar de Ronde van de l'Oise. Nooit namens zichzelf, altijd renners op de rug.

“Ach de Giro d'Italia, wat moet ik daar nou gaan zoeken?”

“Het echte leven, Peter. Rennersgeluk.”

“Dat is aan Nederlanders niet meer besteed, joh. Ben jij dan de Rabo dit jaar al een keer tegengekomen? Of TVM?

“Om met Cruijff te spreken: Sneeuwwitje is ontslagen, de dwergen blijven?”

“Na lust komt straf, zo platvloers eindigen carrières.”

“Nu je het zegt: weet jij waar Jan Raas uithangt?”

“Jan is ook moe. En: Raaske is nog trager met vergeven dan ik. Het liefst zou hij die labbekakken van renners door de magnetron laten fietsen. 't Is hopeloos, jongen.”

Peter neemt zijn geliefde weer bij de arm en verdwijnt in een wolk van parfum. Ik kijk hem vertederd na en denk: het is afgelopen met de oude maestro. Zo ver van de Giro zijn en geen spatje doodsdrift in de ogen, où sont les neiges d'antan? De nestor van het Nederlandse wielrennen die stijl en branie verzoende en zo lyrisch over Fondriest en Ludwig kon spreken dat zijn hele gezicht escaleerde in een perpetuum mobile van demarrages, heeft het opgegeven. Zelfs zijn geheugen fietst niet meer mee: “Heeft Abdoesjaparov al een ritje gewonnen?”

De Giro d'Italia als het mooiste zichzelf tegensprekend koor, zo is het jaren geweest. De Giro had een eigen soortelijk gewicht van kracht en schoonheid, van warmte en folklore. Meer nog dan de Tour ressorteerde deze Ronde rechtstreeks onder God. De kleinste bergdorpjes kronkelden van begeerte en genot als ze weer eens werden besprongen door de volle ader van karavaan en peloton. In de Giro was het altijd zondag. De renners zaten er ook anders op de fiets, nooit als stervende sintels, als gemankeerde flaneurs. Haarkammetje op zak.

De Giro is niet meer. Althans niet in de Nederlandse media. Met moeite kom je in een hoekje van de krant nog te weten wie de eerste bergetappe heeft gewonnen. Mart Smeets vergaapt zich aan de boomstammen van Utah Jazz en Jean Nelissen is al maanden spoorloos. Ik heb de tijd nog gekend dat rubriekleiders van de sportpagina's maar een privilege claimden: de Giro. Want, zo wisten ze, daar leerde je leven en eten. De grootste slobberaar werd in een ristorante in Marina di Massa nog altijd feestelijk begroet met dottore. Voor de door Van Gaal zo geteisterde eer van het Ajax-journaille is er maar een balsemende oase: de Giro. Daar is niemand onderknuppel, koddebeier of geitenneuker. Daar is iedereen dottore.

Nencini, Motta, Battaglin, Gimondi, ooit werden hun namen in Nederland van dorp tot dorp gezongen met de vertrouwde klanken van Cees Haast en Harm Ottenbros. Jongens even stil als hun verleden, maar wel helden. Who the fuck is Mario Traversoni, Fausto Dotti en Silvio Martinello? Ook helden die nu al dertien dagen op de kracht der zotheid voor de kus van een bloemenmeisje sprinten. En ook wel voor een villa in Toscane. Dat Nederlanders daar geen getuige van willen zijn bewijst dat de verwondering voor wie een beetje glorieus weet te ontsnappen aan de maalstroom van sterven en stribbelen niet meer tot de atavismen behoort. De romantiek is dood, leve de Giro.