Democratie moet een wanklank kunnen velen

'Democratie moet verwerpelijk geluid durven verbieden', zo luidde de kop van de bijdrage die collega Peter Rehwinkel aan deze pagina leverde (NRC HANDELSBLAD, 23 mei). Hij wil politieke meningsuitingen die hem niet bevallen, in casu die van een aantal onsmakelijk-rechtse partijtjes, tot zwijgen brengen door die partijtjes en hun uitingen te verbieden.

Ik ben het daarmee oneens. De democratie wordt niet gediend door aan sommige burgers het recht te ontnemen zich te uiten, te demonstreren of zich in partijverband te verenigen. Integendeel, dit zijn de wezenlijke rechten die het functioneren van een democratie mogelijk maken. De democratie moet die rechten waarborgen, ook wanneer lieden daarvan gebruik maken om dingen te zeggen die ons niet bevallen, of die wij zelfs uitermate verwerpelijk vinden.

Sterker nog, die rechten zijn juist geschreven om minderheden met dwarse en verwerpelijke opvattingen te beschermen tegenover de heersende publieke opinie. De vooraanstaande rechtsfilosoof Ronald Dworkin, radicale verdediger van free speech, wijst er terecht op dat je niet het spreken over verwerpelijke ideeën moet verbieden, maar de verwerpelijke handelingen zelf moet bestrijden. Als je zelfs het spreken daarover verbiedt, dan verstik je het democratisch proces van meningsvorming.

Anders dan Rehwinkel suggereert, vergt het geen moed om iets te verbieden. Want het eerste wat mensen aan de borreltafel roepen als hen iets niet bevalt, is dat 'ze' het eens zouden moeten verbieden. Als 'ze', regering en parlement, daaraan zouden toegeven dan zou er heel wat verboden moeten worden, van hondenpoep tot persvrijheid.

Het vergt juist moed om als politicus tegen dit soort populisme in te gaan en de burgers er op te wijzen dat wij in een tolerante samenleving willen wonen, en dat dit met zich meebrengt dat wij soms worden geconfronteerd met zaken die ons helemaal niet bevallen.

Tolerant zijn voor hetgeen ons bevalt of onverschillig laat, is niet zo moeilijk. Het gaat pas spannen als het ons ongemak bezorgt of als het onze weerzin oproept. Dan blijkt of er van verdraagzaamheid sprake is.

Ik hou vol dat onze democratie zó stevig is verankerd, dat zij een robuuste openbare discussie zeer wel aankan. Ook over de vraag of dat 'eigen volk' wel bestaat en over waarom dat volk dan eerst zou moeten. Over de vraag of integratie van immigranten nuttig en nodig is en of die integratie wordt belemmerd bij een te grote toevloed. En over de grote baat die ons land heeft bij de veelsoortige inbreng van vreemde culturen die zich met de onze vermengen. Daarover is een openbaar debat nuttig en nodig. Het is niet goed om de inbreng van een extreme en marginale minderheid bij voorbaat de kop in te drukken.

Met verbod en met straf optreden werkt dus naar mijn mening in democratisch opzicht contraproduktief. Zeker, de wet wil bestraffing van mensen 'die aanzetten tot haat tegen of discriminatie van of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen [..] wegens hun ras, hun godsdienst of hun levensovertuiging' (art. 137d Wetboek van Strafrecht). Die stok achter de deur moet er zijn om dit soort 'haat-spraak' te kunnen bestraffen wanneer deze een reëel gevaar oplevert voor onze rechtsorde, zoals bij een oproep tot concrete strafbare daden.

Maar als het om politieke meningsuitingen gaat, hoe onsmakelijk ook, moeten we buitengewoon voorzichtig zijn om die te vervolgen. Waar ligt immers de grens? Is iemand dan vervolgbaar als hij, zoals de 'autonomen', verkondigt dat hij de bestaande rechtsorde omver wil werpen of, zoals de communisten, de proletarische revolutie wil doorvoeren?

In de jaren dertig werden de uitzendingen van de VARA door de Radio Controle Commissie - welke commissie geen wettelijke grondslag had - onder leiding van de latere minister-president Gerbrandy aan een strenge censuur onderworpen. En in 1939 achtte ons hoogste rechtscollege het toelaatbaar dat de burgemeester van Heerenveen antimilitaristische propaganda verbood op grond van strijd met de openbare orde. Hetzelfde overkwam in de jaren zestig demonstranten tegen de oorlog in Vietnam. Wij moeten op dit punt buitengewoon waakzaam zijn, juist ook als de publieke opinie in grote meerderheid bepaalde uitingen verwerpelijk acht.

Blijft de vraag van het partijverbod. Hein Roethof, die enige maanden geleden overleed, heeft zich destijds, bij de behandeling van het nieuwe verenigingsrecht, als eenling in de PvdA-fractie in de Tweede Kamer terecht verzet tegen de gedachte dat een partij een gewone vereniging is, waartegen gewone verbodsacties gelden. Partijen zijn dragende instellingen van onze democratische orde geworden.

De Kamers van de Staten-Generaal zijn, evenals gemeenteraden en provinciale staten, in feite fora waar woordvoerders van fracties met de regering en met elkaar debatteren en besluiten. Verbieden van een partij betekent dus het uitschakelen van de partij uit het publieke debat, ook als die partij voldoende kiezers achter zich heeft gekregen om zetels te verwerven in de volksvertegenwoordiging.

Verbieden van een partij betekent het monddood maken van die kiezers. Is het niet beter om de kiezers zelf te laten uitmaken of zij partijen met extreme opstellingen aanvaarden? Had de CPN in 1946 niet tien procent van de zetels, en nu geen enkele? En was de NSB niet al voor de oorlog wat de kiezersgunst betreft stevig op de terugtocht? We moeten meer vertrouwen in het gezonde oordeel van de kiezers stellen dan op juridische verbodsacties.

Mijn politieke geestverwant Rehwinkel haalt in zijn bijdrage ook art. 4b van het Verdrag tegen uitbanning van rassendiscriminatie aan. Welzeker moet Nederland zich inzetten om rassendiscriminatie uit Nederland te bannen. Maar deze verdragsverplichting dwingt ons niet om evenzeer wezenlijke burgerschapsrechten als kiesrecht, gekozen kunnen worden, demonstratierecht en recht van vereniging en vergadering aan te tasten. Deze burgerschapsrechten gaan voor. Alleen wanneer de waarden die het Verdrag terecht wil beschermen op kennelijke en directe wijze in gevaar komen, behoren die burgerschapsrechten te wijken.

Mijn stelling is dat verbodsacties die de vrije vorming van politieke meningen belemmeren uiterst terughoudend moeten worden toegepast. Moge Peter Rehwinkel het voorbeeld van Hein Roethof indachtig zijn.