Blaauw

In de boekenbijlage van 25 mei bespreekt Coen van Zwol onder de kop 'Te ijverige speurders' enkele boeken van oud-commissaris van politie J.A. Blaauw, het recent verschenen Verdacht van moord en Bruno Lüdke (1994).

Van Zwol begint zijn bespreking van Verdacht van moord met te stellen welke visie de Zaanse recherche over de zogenoemde 'Paskamermoord' (zijns inziens) zou hebben gehad. Daarop laat hij volgen: “Een boeiend verhaal, maar geheel onwaar”. Ook stelt Van Zwol dat de Amsterdamse rechtbank de toenmalige verdachte heeft veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf. De rechter was zo zeker van zijn zaak dat hij slechts één week de tijd nam om vonnis te wijzen. De rechter, schrijft Van Zwol, was diep onder de indruk van de “gruwelijke en weerzinwekkende wijze van levensberoving” die aan de fantasie van de Zaanse recherche en getuigen was ontsproten.

Van Zwol slaat de plank mis. Niet de Amsterdamse, maar de Haarlemse rechtbank heeft in de 'Paskamermoord' geoordeeld. De rechtbank heeft bij monde van haar voorzitter mr. J. Vrij, al aan het einde van de terechtzitting medegedeeld eerder dan te doen gebruikelijk uitspraak te zullen doen, omdat zij begrip had voor de spanning waarin de verdachte tijdens en de maanden voorafgaande aan het proces heeft verkeerd (vergelijk D. Nierop en P. Elberse: De Paskamermoord. Feiten en fictie in een Zaanse tragedie. Het Spectrum 1989, pag. 234). Blaauw schrijft in zijn boek ook enkel: “Reeds na één week van de gebruikelijke twee weken (...) doet de rechtbank in Haarlem uitspraak,” en verbindt daaraan niet de door Van Zwol op niets gebaseerde conclusie. Ook de stelling dat de visie van de Zaanse recherche over de 'Paskamermoord' geheel onwaar is, komt voor rekening van Van Zwol. Blaauw trekt in zijn boek die conclusie in ieder geval niet, maar stelt bescheiden dat naar zijn opvatting (pag. 273) de moord tot de categorie onopgeloste zaken behoort. Tot slot, Blaauw stelt in zijn boek nergens dat de 'gruwelijke en weerzinwekkende wijze van levensberoving' aan de fantasie van de Zaanse recherche en getuigen is ontsproten.

Ook in de bespreking van Bruno Lüdke stelt Van Zwol feiten vast die niet in overeenstemming zijn met de tekst van het door Blaauw geschreven boek. Waar Blaauw nog schrijft (pag. 309) dat Lüdke “in een bepaalde mate zwakzinnig (mag) zijn geweest”, stelt Van Zwol in zijn bespreking zonder meer diens volledige zwakzinnigheid vast. Blaauw heeft vele pogingen in het werk gesteld om de doodsoorzaak van Lüdke te achterhalen. Daarin is hij niet geslaagd. Hij schrijft (pag. 319): “Ik twijfel er niet aan dat Lüdke in Wenen, naar alle waarschijnlijkheid in de politiegevangenis, is geliquideerd.” Van Zwol is veel zekerder van zijn zaak. Hij stelt in zijn boekbespreking eenvoudig vast: “In 1994 wordt hij (Lüdke) stilletjes geëxecuteerd in een Weense gevangenis.”

Terzijde: als Van Zwol Blaauws in 1992 onder de titel Laatste rit van een taxichauffeur verschenen boek ter sprake brengt, schrijft hij dat dit boek “stilistisch beperkingen” heeft. En dat terwijl Eric Slot in zijn bespreking van ditzelfde boek in NRC Handelsblad van 14 november 1992 er toch zo enthousiast over is geweest.

Van Zwol mag speurders naar de waarheid in moordzaken soms 'te ijverig' vinden, hijzelf is het, door zo slordig met de feiten om te springen en daaraan conclusies te verbinden, bij zijn boekbespreking in ieder geval niet op alle fronten geweest.