Altijd naar het licht gekeerd; Popzanger Bob Mould en de doem-romantiek

De stem van gitarist en songschrijver Bob Mould heeft de onbestemde onlust van een regenachtige dag. Op zijn nieuwe cd durft Mould voor het eerst echt te zingen. Het breekbare in zijn stem versterkt hij met dissonante golven van een zwevende gitaar.

Bob Mould - Bob Mould, Creation Records CRECD 188.

Op Internet is een interview te vinden van een fan met de muzikant Bob Mould. Hij vraagt Bob of hij wel eens depressief is. 'Veel van je teksten lijken over depressie te gaan en ik vroeg me gewoon af of je.. nou.. zelf wel eens ervaring hebt gehad met depressie?' De fan doet trouw verslag van elke seconde van de ontmoeting met zijn idool. Zo lees je wat een journalist uit gêne weg zou laten: hoe Bob na die vraag bijna van zijn stoel valt van het lachen. Alsof je Woody Allen vraagt of hij soms iets met New York heeft. We hebben het over de man die zijn plaat Black Sheets of Rain noemde en wiens publieksfavoriet 'Too Far Down' heet. Het lukt hem niet een serieus antwoord te geven.

Bob Moulds oeuvre is het verslag van zestien jaar eenzaamheid en verlatenheid. Zijn stem en gitaar hebben in die tijd bijna dezelfde, huilende klank gekregen. Niet het jankerige dreinen dat je wel eens hoort. Bob Mould klinkt als hij zingt altijd alsof hij voluit, hardop, huilt.

Mould is één van de vaderfiguren van de alternatieve pop van nu. In de jaren tachtig was hij zanger/gitarist van Hüsker Dü, een trio dat een intense, energieke combinatie speelde van jaren zestig-pop en jaren tachtig-punk. Binnen zeven jaar bracht de groep acht albums uit, waarvan de impact op de popmuziek een stuk groter is dan af te leiden is uit de betrekkelijk lage verkoopcijfers. Zonder Hüsker Dü zouden Nirvana, Green Day en andere succesvolle jaren negentig-bands heel anders geklonken hebben. Jonge bands noemen Hüsker Dü vaak als belangrijke invloed, en de Ierse groep Therapy? had onlangs zelfs een Top 40-hit met een oud Hüsker Dü-liedje, 'Diane'.

Na het uiteengaan van Hüsker Dü, in 1988, maakte Mould twee soloplaten, Workbook en Black Sheets Of Rain. Vier jaar geleden verraste hij de popwereld met zijn nieuwe band, Sugar, waarmee hij frisse, energieke pop maakte die bijzonder succesvol was. Geruchten dat Sugar uit elkaar ging werden onlangs bevestigd toen Mould een solo-album uitbracht dat als titel simpelweg zijn naam draagt. Bob Mould klinkt als een groepsplaat, maar Mould speelde alle instrumenten zelf. 'This one is for me', zette hij op de hoes, en ook, als om te voorkomen dat zijn naam alsnog als groepsnaam zou worden opgevat: 'Bob Mould is Bob Mould'.

Muziek maken is voor Mould een manier om met depressie om te gaan, legde hij uit in een interview. Dat herkent hij in de jongere generatie muzikanten: 'Denk aan Nirvana en de Smashing Pumpkins. Al die gemompelde woorden en die stille stukken en dan die plotselinge keiharde explosies? It has manic depression written all over it.'

Herensokken

Als de dynamiek van de muziek een reflectie is van de gemoedstoestand, dan zijn Moulds eigen depressies van een andere aard. Hij slingert niet heen en weer tussen pikzwarte gaten en euforische uitbarstingen zoals de Pumpkins en Nirvana. Die muziek is net zo grillig, effectrijk en extravert als de fotogenieke makers. Het is moeilijk om Bob voor je te zien in een jurk, met eyeliner zoals Kurt Cobain of in een zilveren broek zoals Billy Corgan van de Pumpkins. Om van in bed liggen met de glamoureuze Courtney Love (Cobains vrouw, Corgans ex) maar helemaal te zwijgen.

Tennisschoenen, herensokken tot halverwege zijn kuiten, een grijze kreukelige bermuda en een t-shirt met een boordje dat spant om zijn vlezige nek, zo ziet Bob Mould er doorgaans uit. Een langwerpig gezicht met een volle kin en tussen de lange neus en een wijkende haarlijn, kleine scherpe vaalgrijze ogen. Bob Mould is niet glamoureus. Hij laat zich niet, zoals Billy Pumpkin of P.J. Harvey, publiekelijk verscheuren tussen de verlossende hemel en het eeuwig vuur van de hel. Bob zit muurvast in de grauwe werkelijkheid van het alledaagse bestaan. Zijn gitaar en zijn stem hebben de onbestemde onlust van een regenachtige dag.

Bobs oeuvre is het verslag van zijn worsteling met die alledaagsheid. De vraag is of hij voldoende licht kan vinden om de duisternis te verdragen. 'Is there an upside to every downside?.. I don't know if the sun ever smiles. It's the black sheets of rain following me again everywhere I go, everywhere I've been' ('Black Sheets of Rain', 1990). Regen, duisternis, stilte en eenzaamheid vullen de dagen. 'Looking outside my window, and all I see is grey. I'm watching the clouds roll by every day' ('Standing In The Rain', 1987). 'Well the silence in this house, it echoes in this house...I can count the lonely days. I get by, as they get by...' Maar altijd staat Mould naar het licht gekeerd: '..they've held me down long enough; Like a flower I need to grow' ('Lonely Afternoon', 1989).

Moulds zoeken naar licht plaatst hem voor een dilemma als artiest. Maker en publiek kunnen hetzelfde liedje gebruiken voor tegengestelde doeleinden. Mould gebruikt de muziek om in de duisternis een lichtpuntje te vinden en de luisteraar kan een emotioneel weinig bewogen bestaan ontvluchten door af en toe te zwelgen in doem-romantiek. Bij optredens roepen de fans om het hardst om 'Too Far Down' uit 1986, een schrijnend, pijnlijk liedje met een doodswens: 'I'm down again. And I don't know how to tell you, but maybe this time I can't come back - Because I might be too far down.' De tekst gaat over een depressie, maar ook over de onmacht om een ander duidelijk te maken hoe dat aanvoelt: 'You wouldn't want to know how I feel anyway'. 'De mensen willen het altijd horen, zei Mould. “Dan denk ik: je begrijpt er niets van. Ik bedoel: wil je het echt horen? En bovendien: wil ik het wel spelen?'

Kettingroken

Als vaderfiguur van de alternatieve pop staat Bob Mould voor een soortgelijk dilemma met zijn 'kinderen'. Freaks, noemde hij ze in een interview: mensen als Courtney Love en Evan Dando (zanger van The Lemonheads), die uitgebreide interviews gaven over hun drugsgebruik en hun psychische problemen. Mould, die zelf in zijn Hüsker Dü-tijd verslaafd was aan drugs en alcohol, beperkt zich sindsdien tot kettingroken. Ook de freaks breken regel één van Bobs overlevingsethos: niet zwelgen. 'I Hate Alternative Rock' zegt Mould zelfs op zijn nieuwe plaat. 'Mensen worden, zeker in Amerika, de hele dag gebombardeerd met al die freaks die met hun hele hebben en houden te koop lopen. Ze ervaren de hele wereld inmiddels als zo out of control dat hun eigen bestaan betekenisloos wordt. Zo van 'mijn man slaat me maar dat is niets vergeleken met het drugsprobleem van die en die'! Ik hoor mensen niet meer praten over de dingen waar ze van houden - ze praten over de dingen waar ze een hekel aan hebben. En als ik begin te klinken als een mopperende oude man, dan ben ik dat maar. Ik heb er schoon genoeg van. Ik wil geen freak zijn. Ik schrijf liedjes. Ik vertel verhaaltjes. Ik ben een mens.'

Mould probeert niet te zwelgen in zijn ellende, maar die in zijn muziek juist te overstijgen. 'Soms raken we zo murw van alles wat we hebben meegemaakt, dat we in ons hoofd alleen nog een zeurende dreun horen die niet meer weg wil gaan', zei Mould toen. Het transformeren van die dreun, haar overstijgen, zichzelf overstijgen, daar gaat het hem om. Op Copper Blue, de eerste cd van Sugar, probeerde hij dat met opvallend luchtige popliedjes, met teksten die deden denken aan The Beatles' Sergeant Pepper. Hoewel de plaat heel succesvol was, zijn lichte nummers niet Moulds sterkste punt. Zijn weinig gevarieerde dynamiek, zijn eentonige stem- en gitaargeluid, en de beperkte variatie in de melodie spelen hem parten; sommige liedjes werden niemendalletjes die snel verveelden. Zelf besefte hij ook dat Copper Blue te ver doorschoot naar de lichte kant: een week later al nam hij de opvolger Beaster op, een veel persoonlijker plaat, die echter weer zò donker was dat het een opgave was om hem in één keer uit te luisteren.

'Je wilt altijd het perfecte statement maken', zei hij een tijd geleden in een interview, 'maar je schiet altijd tekort'. Eigenlijk stelt elke opname hem teleur, omdat hij nooit die perfectie, die gewichtloosheid, die Bob-loosheid bereikt die hem voor ogen stond.

Op Bob Mould lijkt Bob een nieuw wapen te hebben in de strijd tussen licht en donker. De plaat opent met 'Anymore Time Between', een traditioneel Bob Mould-liedje over verlating, dat hij deze keer eens niet huilt, maar bijna fluisterend zingt. Hij durft nu zijn stem te gebruiken om lucht in een liedje te brengen. Het gitaarspel kent eveneens een nieuwe dynamiek en variatie. In de afsluiter 'Roll Over and Die' versterkt hij het effect van een brekende stem met dissonante golven schitterende, zweverige gitaar.

Mould heeft zijn muziek met een nieuw licht weten te doorschijnen. Ditmaal zonder zichzelf te ontlopen met luchtige onzinliedjes, zoals bij Sugar. Zijn nieuwe liedjes gaan opnieuw over eenzaamheid en verlating, en de uitvoering is kwetsbaarder dan ooit. Mould is lichter geworden, maar niet minder persoonlijk. Misschien heeft hij eindelijk vrede met zichzelf, met zijn beperkingen. Die zijn het juist, die zo ontroeren: de rafelige randjes aan zijn stem, de huilerige klank van zijn gitaarspel, de klank van regen, de eenzaamheid. Bob Mould is Bob Mould.