Sigarettenindustrie valt nauwelijks serieus te nemen

De voorzitter van de Stichting Sigaretten Industrie, drs. W.J. Roelofs, wil ons doen geloven dat reclame voor sigaretten geen enkel effect heeft op het aantal jongeren dat gaat roken (NRC HANDELSBLAD, 21 mei). Verder vindt hij accijnsverhoging geen goed middel om jongeren van het roken af te houden. Ook wil hij het verbod op de verkoop van sigaretten aan jongeren beneden de achttien ondersteunen met acties van de industrie.

Bij al deze stellingen strooit hij wel erg selectief met cijfers, onderzoeken en rapporten. Volgens mij is eenvoudige logica alleen al in de meeste gevallen voldoende om aan te tonen dat hij ernaast zit.

Roelofs begint met een juweel van een understatement: “De tabaksindustrie is zich ervan bewust dat roken, net als een aantal andere gewoontes, een risicofactor kan inhouden.” Je moet het maar durven zeggen van een produkt dat bij normaal gebruik 30.000 doden per jaar kost! De kosten van arbeidsverzuim ten gevolge van ziekten die door roken komen, belopen vele honderden miljoenen gulden per jaar. Van alle jongeren die gaan roken, en daarmee doorgaan, zal de helft daaraan doodgaan. Terecht noemt minister Borst (volksgezondheid) roken de grootste vermijdbare doodsoorzaak. Daarom leeft Kamerbreed de wens dat het roken onder jongeren wordt tegengegaan.

De tabaksindustrie streeft naar behoud van haar afzet, zoals elke bedrijfstak. Probleem is echter dat elk jaar honderdduizend mensen definitief stoppen met roken, inclusief de doden. Die moeten allemaal worden vervangen door jonge rokers. Want wie de 25 is gepasseerd, begint niet meer met roken. Dus lokt de industrie jongeren, met imago-reclame bij stations, bushaltes, popconcerten en andere plaatsen waar veel jongeren komen.

De reclamemakers voor tabak zijn bijzonder creatief: als reclame voor sigaretten in biocopen verboden is, draaien we toch gewoon lange spots voor Mascotte-vloeitjes! Formeel is daar niets mis mee, want het is geen tabaksprodukt, maar het is wel vokomen in strijd met de geest van de reclamecode. En niemand maakt mij wijs dat het commercieel verantwoord is voor een pakje sigarettenvloei van 35 cent een dure bioscoopspot te maken.

Jongeren zijn gevoelig voor reclame, zeker als die mede op hen is gericht. Dat blijkt uit vele studies naar het effect van tabaksreclame. Pierce toonde aan dat tabaksreclame een sterkere invloed uitoefent op de beslissing van een jongere om te gaan roken dan het voorbeeld van rokers in het gezin of in de omgeving. De tabaksindustrie gaat daar zelf ook van uit. Waarom zouden anders zulke grote bedragen worden uitgegeven om reclame te maken, met nadruk gericht op jongeren en jong-volwassenen?

Volgens de Stichting Volksgezondheid en Roken wordt per jaar in Nederland ongeveer 250 miljoen gulden aan tabaksreclame uitgegeven. Een behoorlijk bedrag gezien de totale omzet van tabaksprodukten (zonder belastingen ongeveer 1.700 miljoen gulden). Dat kan dus nooit bestemd zijn voor de tien procent rokers die jaarlijks hoogstens van merk wisselen. Daarmee valt immers slechts ongeveer 170 miljoen extra omzet te verwerven. Natuurlijk is het de moeite waard om ook ouders en scholen op te roepen het roken onder kinderen tegen te gaan. Maar om te beginnen moet de imago-reclame, die sigaretten van jongs af aan als iets stoers en aantrekkelijks afbeeldt, worden tegengegaan.

Volgens een onderzoek van het Nederlands Economisch Instituut, dat Roelofs aanhaalt, neemt het aantal rokers toe als tabaksreclame wordt afgeschaft. Dat zou dan komen doordat de prijs van sigaretten lager wordt als er geen reclame meer mag worden gemaakt. Een lagere prijs zorgt voor grotere afzet. Maar de regering heeft al aangekondigd met een accijnsverhoging te zullen voorkomen dat de prijs van sigaretten daalt. Dit onderzoek kan dus eenvoudig terzijde worden gelegd.

In vele landen geldt al een verbod op tabaksreclame en in veel van die landen heeft dat geleid tot een vermindering van het gebruik. Een bekend voorbeeld is Frankrijk. Een pakket maatregelen, waaronder een reclameverbod en een accijnsverhoging, zorgde in 1993 voor een vermindering van het aantal rokers met bijna twintig procent. Dus is zeker een combinatie van reclamebeperking en accijnsverhoging effectief.

Roelofs stelt dat Nederland wat betreft de prijs van sigaretten in Europa een positie in de middenmoot bezet. Dat is gewoon niet waar. Volgens een rapport van de Europese Gemeenschap zijn alleen in Griekenland, Spanje, Italië, Luxemburg en Portugal sigaretten goedkoper. In alle naburige landen zijn sigaretten duurder en meestal flink ook. Bovendien: rekening houdend met geldontwaarding is de prijs van sigaretten sinds 1970 in Nederland met slechts zeven procent gestegen.

De accijns bevindt zich in Nederland op het minimum dat Europa voorschrijft, te weten 57 procent van de verkoopprijs. Zoals Roelofs heel goed weet is er geen enkel bezwaar vanuit Europa te verwachten als Neerland zijn sigarettenaccijns verhoogt. Roelofs toont zich benauwd over de eventuele toename van de smokkel. Zoals hij echter wederom heel goed weet heeft de belangrijkste smokkel plaats met sigaretten die bestemd zijn voor uitvoer uit de Europese Unie en die vervolgens in de zuidelijke lidstaten worden verkocht. Het belangrijkste probleem is hier de tekortschietende controle in de Europese Unie. Tussen EU-lidstaten onderling vindt weinig smokkel plaats.

Sigaretten zijn verslavend. Wie eenmaal enkele jaren rookt, stopt daar niet zo makkelijk mee. Maar wie nog maar net begonnen is, kan makkelijker stoppen. En de jongere die niet (meer) rookt, vindt het dan al gauw te duur. Vooral een forse verhoging in één keer zal op jongeren een flink afschrikwekkend effect hebben.

Terwijl Roelofs dus elke krachtige maatregel tegen het roken onder de jeugd van de hand wijst, is hij wel van plan de overheid te adviseren over een effectieve aanpak ven jeugdroken. Daarmee zou het stellen van een leeftijdsgrens voor de verkoop van tabaksprodukten worden ondersteund. Hij wil met voorlichtingscampagnes de 250.000 jongeren onder de achttien jaar die nu al roken ertoe brengen geen sigaretten meer te kopen. Maar hoe valt te voorkomen dat een jongere die sigaretten wil kopen en een winkelier die oog heeft voor zijn omzet dit verbod overtreden? Zo'n verbod is even onzinnig als oncontroleerbaar en schaadt de geloofwaardigheid van de overheid. Het is symboolpolitiek en niks meer.

De industrie is dus niet voor niets blij met zo'n verkoopverbod. Liever dit verbod, dan maatregelen die ècht wat uithalen. In dit licht moeten ook de campagnes van de sigarettenindustrie tegen het jeugdroken worden gezien. Zodra jongeren de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, zijn ze weer volop doelwit van tabaksreclame. Ik kan me niet indenken dat iemand zo'n dubbelhartig voorstel van de industrie serieus neemt. De industrie is een sluwe vos, die slechts de passie preekt.