Platenspeeldoos als het alternatief voor concertzaal

Tentoonstelling: Een tophit voor een cent. Museum van Speelklok tot Pierement, Utrecht. T/m 15 sept.

Alsof er honderden klokjes klingelen in een bont arrangement, zo is de eerste indruk van de tentoonstelling Een tophit voor een cent. De bezoeker betreedt het middenschip van de Buurkerk in het middeleeuwse hart van Utrecht, de behuizing van het charmante museum Van Speelklok tot Pierement, en wordt allereerst bestrooid met muziek. De apparatuur die wordt geëxposeerd, staat ietwat verborgen achter venstertjes van kippegaas, tussen vier kaasdoekmuren waarop bovendien advertenties, affiches en teksten worden geprojecteerd. Maar de muziek is er eerst, en die stemt onmiddellijk vrolijk.

Over de platenspeeldoos gaat het ditmaal, het eerste industrieel vervaardigde muziekreproduktie-apparaat dat er - honderd jaar geleden - bestond. Speeldozen bestonden vanzelfsprekend allang, maar in 1885 werd verzonnen om ze tot klinken te brengen via losse blikken platen met uitgestanste gaten en sleuven, als in een draaiorgelboek. Die platen konden gemakkelijk machinaal worden gemaakt, en ze gaven de eigenaar van de platenspeeldoos een betaalbaar en oneindig te variëren repertoire van populaire muziek. Geen wonder dus, dat de nieuwe vinding een groot succes werd. Alleen al bij de Lochmann'scher Musikwerke in Leipzig werden tussen 1886 en 1892 niet minder dan 150.000 speeldozen gefabriceerd: imposante huiskamermeubelen met barokke opsmuk, waarin men de losse plaat achter de glazen deurtjes kon zien draaien. Voorts gaf de buikige klankkast de twinkelende muziek een robuust volume, dat door een Amerikaanse fabrikant niet voor niets werd aangeduid als “an evening's entertainment every evening” en zelfs als een alternatief voor theater of concertzaal.

Veel van die trotse meubels staan hier opgesteld, en duidelijk is ook te zien hoe ze werkten: met een veermotor en met een speelkam vol tandjes die door de perforaties tot trillen werden gebracht. De gemiddelde plaat had zowat de maat van de latere langspeelplaat, maar er waren ook grotere. Op één van de apparaten, een tafelmodel, ligt een plaat als een pannekoek die bij het gaatje is ingedeukt door de druk van de arm die erop ligt, en aan de buitenzijden over de randen hangt.

De inrichters van de tentoonstelling hebben er alles aan gedaan om de platenspeeldozen in hun tijd te plaatsen (de industriële revolutie, de opkomst van de welvarende middenklasse) en het verschijnsel tevens in hedendaagse termen te vertalen. Op basis van bewaard gebleven catalogi van de platenproducenten hebben ze bijvoorbeeld een top-tien samengesteld van de populairste nummers: Stille nacht op de eerste plaats, Ave Maria op de tweede.

Een apart verhaal is de introductie van deze speeldozen in de horeca, want al snel was bedacht dat de platen ook door inworp van een cent tot spelen konden worden gebracht. “It's a moneymaker!” riepen de vakbladadvertenties van de Regina Music Box Company in New Jersey. De voorloper van de jukebox was, met de walsjes, polka's, volksliedjes en opera-aria's uit die tijd, inderdaad een commercieel succes.

Maar zelden is van een nieuwe uitvinding zo zeker te bepalen wanneer ze weer uit de mode raakte als bij deze. De platenspeeldoos was immers hopeloos verouderd zodra de grammofoonplaat algemene ingang vond. Na de Eerste wereldoorlog was het voorbij. En voor terugverlangen is ook geen aanleiding. Op één van de koptelefoon-installaties in Utrecht is te horen hoe de muziek van nu op zo'n blikken speeldoosplaat zou klinken, inclusief de droge tikjes van een geprononceerde ritmesectie. Ik heb me laten vertellen wat er wordt gespeeld: op eigen kracht had ik het nummertje Madonna niet herkend.