Oppositie Albanië blaft, Berisha trekt verder

Zondag kiezen de Albanezen een nieuwe Kuvendi Popullor, de Volksvertegenwoordiging. De regerende Democratische Partij (PD) van de charismatische president Sali Berisha verwacht een klinkende zege, en de opiniepeilingen wijzen ook in die richting: de PD zou - vooral dank zij de economische groei van de laatste tijd - kunnen rekenen op veertig tot vijftig procent van de stemmen, de oppositionele Socialistische Partij PSSh zou niet verder komen dan 20 tot 26 procent. In het ontbonden parlement had de PD 92 van de 140 zetels, de PSSh had er 38.

De door veel kleine - soms gewelddadige - incidenten verstoorde verkiezingscampagne van de afgelopen weken draaide minder om de prestaties van de PD in de afgelopen jaren dan om een heel andere vraag: die welke leiders van de oppositie als kandidaat voor een zetel mogen meedoen aan de verkiezingen.

Dat zijn er niet veel. Een speciale kiescommissie heeft de afgelopen weken bijna 140 parlementskandidaten van de socialisten, de sociaal-democratische PSDSh en de Democratische Alliantie (AD) uitgesloten van deelname aan de verkiezingen, omdat ze belangrijke functies hebben bekleed ten tijde van het socialisme van vroeger. De uitsluiting is gebaseerd op de zogeheten 'genocidewet', die bepaalt dat voormalige socialistische prominenten tot het jaar 2005 geen openbaar ambt mogen bekleden en geen rol mogen spelen in de regering of het politieke leven, in de rechtspraak en in de staatsmedia. Slechts tien kandidaten werden alsnog toegelaten na beroep te hebben aangetekend bij het Hooggerechtshof.

De drie oppositiepartijen zijn aldus bij voorbaat beroofd van hun kopstukken. De voorzitter van de socialistische partij, oud-premier Fatos Nano, zit sinds 1993 in de gevangenis en mag - de massale demonstraties voor zijn vrijlating in de afgelopen dagen ten spijt - niet meedoen. Dat geldt ook voor zijn plaatsvervanger, Servet Pellumbi, en voor secretaris-generaal van de socialisten, Gramoz Ruci, voor de schrijver Dritëro Agolli en voor ex-premier Ylli Bufi.

De sociaal-democratische partijleider, Skender Gjinushi, mag evenmin meedoen, omdat hij in 1990 nog even minister van onderwijs is geweest. De Democratische Alliantie - een afsplitsing van de PD - zag de hoofdredacteur van het partijblad Aleanca en oud-minister van defensie Perikli Teta van de kandidatenlijst verdwijnen.

De beslissingen van de kiescommissie hebben vanzelfsprekend kwaad bloed gezet. De oppositie voert aan dat de commissie wordt gedomineerd door leden van de Democratische Partij, dat de beslissingen achter gesloten deuren zijn genomen en dat de commissie niet verplicht is redenen voor de uitsluitingen op te geven en dat doorgaans ook niet heeft gedaan. Aldus, zo vond Skender Gjinushi, speelt de commissie “de rol van een rechtbank”.

Ook het feit dat geen kandidaten van de PD zelf zijn uitgesloten, heeft tot boosheid geleid. Veel PD-kandidaten hebben wel degelijk een rol gespeeld in het vroegere Albanië. De beslissingen van de kiescommissie zijn verder gehekeld omdat de uitgesloten politici nooit een rol hebben gespeeld ten tijde van het 'steentijdsocialisme' van de stalinist Enver Hoxha, maar dat pas deden in de periode van het 'overgangssocialisme', toen de communistische partij al oppositiepartijen had toegelaten en de overgang naar de parlementaire democratie regelde. Nano en Bufi leidden dergelijke overgangskabinetten.

De verkiezingscampagne heeft in het teken gestaan van dezelfde sfeer die de Albanese politiek al sinds de invoering van het meerpartijenstelsel domineert: die van wederzijdse vinnigheid tussen de Democraten en de oppositie. President Berisha, die de waarschijnlijke uitslag ziet als een motie van vertrouwen in zijn eigen beleid, heeft de socialisten uitgemaakt voor 'enveristen' - adepten van de vroegere leider, die de cardioloog Berisha zelf overigens als lijfarts heeft gediend. De socialisten, zijn “crypto-communisten” die de markthervormingen willen terugdraaien, aldus Berisha. Zij zijn “een verslagen leger met commandanten die worden gegijzeld door het verleden en die streven naar een democratie à la Enver en Marx”. Het PD-blad Rilindja Demokratike schreef dat “de socialisten zich voorbereiden op een burgeroorlog” en “hit squads vormen om op de verkiezingsdag te pakken wat ze via stembus niet kunnen krijgen”.

De socialisten en de andere oppositiepartijen zeggen officieel dat economische hervormingen weliswaar noodzakelijk zijn, maar dat de snelheid ervan armoede en werkloosheid brengt. Bovendien zouden de Democraten hun macht vergroten via ondemocratische methoden - intimidatie van onafhankelijke of kritische media, van corruptie op grote schaal en van het wegpesten en wegzuiveren van critici, zoals vorig jaar de voorzitter van het Hooggerechtshof.

De Albanese 'genocidewet' is de hardste op dit gebied in heel Oost-Europa. De wet stelt de al dan niet prominente communisten of ex-communisten verantwoordelijk voor de wandaden van het stalinisme, zoals de 100.000 verbanningen, de 15.000 veroordelingen, de 5.100 doodvonnissen om politieke redenen en de duizend sterfgevallen in gevangenissen. Onafhankelijke of kritische media krijgen het in Albanië steeds moeilijker en Albanië raakt langzaam in een isolement. De regering heeft zelfs particuliere abonnementen op Internet verboden: e-mailcontacten met het buitenland zijn taboe.

Niet alleen de oppositie hekelen het zittende bewind in Tirana, maar ook iemand als Ismail Kadare, de belangrijkste schrijver van het land. De na een dubieus proces veroordeelde leider van de socialisten, Fatos Nano, was nooit een communist met brede bevoegdheden, maar een econoom en technocraat, aldus Kadare onlangs. “Hij is de verkeerde om op te sluiten. De ex-voorzitter van het Hooggerechtshof [ten tijde van het stalinisme] kreeg twee of drie jaar gevangenisstraf, hoewel hij een van de grootste bandieten van het land was. Nano veroordelen en de echte misdadigers vrijlaten is een paradox.”