Landbouwbeleid kost 800 gulden per inwoner

Iedere Nederlander betaalt per jaar 800 gulden aan het Europese gemeenschappelijke landbouwbeleid. Dat blijkt uit een studie van het 'Centre for Economic Integration Studies' van de Rotterdamse Erasmusuniversiteit naar de 'overdrachten' die consument en belastingbetaler bijdragen aan het Europees landbouwbeleid.

“Wij zijn van de uitkomsten nogal geschrokken”, zegt professor dr. J. Kol, die het onderzoek samen met drs. B. Kuijpers heeft gepubliceerd. “Ik denk dat de politiek er belang bij heeft de burger te laten weten hoeveel dat gemeenschappelijk landbouwbeleid eigenlijk kost en hoezeer de economie als geheel daardoor feitelijk in gijzeling wordt gehouden.”

Bij de totstandkoming van de EEG in 1957 werd besloten tot invoering van een gemeenschappelijk landbouwbeleid onder meer om 'te verzekeren dat consumenten de beschikking hebben over voedingsmiddelen tegen redelijke prijzen'. Vijf jaar later was er een gemeenschappelijk landbouwbeleid, opgetuigd met een complex instrumentarium van maatregelen, waarbij dat van de prijsondersteuning het belangrijkst was en is. Dat heeft er toe geleid dat de prijzen binnen de EU tegenwoordig 'hoger tot zeer veel hoger' zijn dan op de wereldmarkt. Die garantieprijzen hebben geleid tot onnodig hoge produktie en het dumpen, met subsidie, van overschotten buiten de grenzen van de gemeenschap. Goedkope invoer werd tegelijkertijd tegengehouden door heffingen. Het landbouwbeleid kost de EU het vermogen van circa 60 miljard gulden, hetgeen overeenkomt met 60 procent van de totale EU-begroting.

De OESO, de organisatie van westerse industrielanden, introduceerde in 1987 een methode om te berekenen hoeveel de belastingbetaler en de consument bijdragen aan deze vorm van protectie. In de eerste plaats betaalt hij daar direct aan mee, omdat de prijzen feitelijk te hoog zijn door de steunmaatregelen. In de tweede plaats betaalt hij als belastingbetaler mee aan subsidies die de overheid verstrekt in het kader van het landbouwbeleid.

Prof. Kol: “Als je die OESO-methode hanteert, blijkt dat de Nederlander 800 gulden per jaar betaalt, op grond van de cijfers over '93. Die kosten brengt hij voor 80 procent op als consument, voor de overige 20 procent als belastingbetaler. Een gezin dat uit vier personen bestaat betaalt dus zo'n 3.200 gulden per jaar aan het landbouwbeleid, ongeveer zeven procent van het gemiddeld beschikbare inkomen.”

De groep van professor Kol heeft ook berekend voor welke produkten de consument het meest bijbetaalt. Het grootste aandeel in de totale kosten van het beleid heeft de produktie van rundvlees met 26 procent, gevolgd door kaas (16 procent), suiker (14 procent) en pluimveevlees (12 procent).

“De kosten van het landbouwbeleid voor de Nederlandse consument en belastingbetaler komen aardig overeen met die voor de EU als geheel. Ze wijken ook niet ver af van wat de Amerikanen voor hun landbouwbeleid betalen. Japanners, Finnen, Noren en Zwitsers betalen veel meer. In Australië en Nieuw-Zeeland kan de landbouw vrijwel op eigen benen staan”, zegt Kol. “De kosten van de landbouwprotectie kun je ook in andere kerngetallen tot uitdrukking brengen. De OESO heeft berekend, dat de totale overdrachten van consumenten en belastingbetalers in de EU 17.700 dollar per boer bedroegen in '92. Dat is bijna anderhalf maal het gemiddelde arbeidsinkomen van een boer van rond 12.000 dollar in dat jaar.”

Kol wijst er op, dat bescherming van de ene sector andere economische sectoren benadeelt. In het geval van West-Duitsland werd in de jaren tachtig berekend dat liberalisering van de landbouw een stijging van de produktie met drie procent tot gevolg zou hebben voor de economie als geheel. De werkloosheid zou met vier procentpunten dalen. Voor de EU als geheel is berekend, dat het loslaten van het landbouwbeleid twee tot vier miljoen extra banen zou opleveren. Kol: “Dat is nogal wat als je rekent dat de hele Unie toen ongeveer tien miljoen werklozen telde.”

“Voor de internationale arbeidsverdeling wereldwijd is het Europese landbouwbeleid ook een ramp”, zegt Kol. “Het spreekt vanzelf dat overproduktie en gesubsidieerde uitvoer tot een geringe vraag en lage prijzen op de wereldmarkt leidt. De zogeheten Cairns Group van landen die in agrarische produkten een comparatief voordeel hebben, wordt op die manier meer dan de helft van hun potentiële exportopbrengsten onthouden.” Tot de Cairns Groep behoren o.a. Australië en Nieuw Zeeland.

Nog ernstiger zijn de gevolgen voor de ontwikkelingslanden, zo blijkt uit het rapport van Kol en Kuijpers. Deze landen moeten steeds meer voedsel importeren, terwijl hun concurrentie-positie steeds slechter wordt. Kol: “In een studie voor de Wereldbank wordt geconcludeerd, dat alleen al de bescherming in de industrielanden tegen invoer van suiker en vlees een jaarlijks verlies aan exportopbrengsten voor ontwikkelingslanden tot gevolg heeft dat gelijk is aan de helft van de totale jaarlijkse ontwikkelingshulp.”

De OESO heeft een analyse gemaakt met als kernvraag of de officiële doelstellingen van het landbouwbeleid worden gerealiseerd en of er betere alternatieven voor zijn. Die doelstellingen omvatten bevredigende en evenwichtige inkomens voor de boeren, stabiele binnenlandse landbouwprijzen, gemakkelijke aanpassing van 'schokken van buiten de EU', het handhaven van een 'florerende plattelandsbevolking'. Daarnaast wordt gestreefd naar regionale ontwikkeling, behoud van familiebedrijven, bescherming van het milieu en gegarandeerde voedselvoorziening voor de bevolking. “Ook 'redelijke prijzen voor de consument' vormen een doelstelling”, zegt Kol. “En bij dat alles moet dus sprake zijn van een een efficiënte en dus concurrerende agrarische sector.”

“Als je naar de praktijk kijkt, zie je dat bij vrijwel al deze doelstellingen de plank volledig wordt misgeslagen. Om iets te noemen: de inkomensontwikkeling voor de boeren is op z'n zachtst gezegd niet erg bevredigend en ook niet gelijkmatig, omdat het landbouwbeleid vooral de inkomens op grote bedrijven bevordert. Boven alles zie je dat het beleid stijging van grondprijzen tot gevolg heeft. Dat leidt ertoe dat intensief gebruik wordt gemaakt van andere produktiefactoren dan land. Machines en gewasbeschermingsmiddelen die relatief weinig kosten, worden fors ingezet, met als gevolg schade aan landschap en milieu. Regionale ontwikkeling en handhaving van een florerende plattelandsbevolking worden eerder bevorderd door kleinschalige industrie en dienstverlening.”

“Dat het Europese landbouwbeleid heeft geleid tot stabiliteit van de landbouwprijzen op de binnenlandse markt staat als een paal boven water”, zegt Kol, “maar dat heeft wel geleid tot instabiliteit van landbouwprijzen op de wereldmarkt en tot hoge kosten voor de consument.”

Dat het landbouwbeleid in de OESO-landen moet worden veranderd, ziet iedereen langzamerhand wel in. Al bij het begin van de Uruguay Ronde in 1986 kwamen de betrokken ministers overeen dat de landbouwsector onder de discipline van de GATT (en later de wereldhandelsorganisatie, WTO) zou worden gebracht. Afgesproken werd dat protectie tegen invoer zal worden verminderd en andere steunmaatregelen - zoals exportsubsidies - geleidelijk zullen worden verminderd. Ook binnen de Europese Unie wordt ingezien dat een ander landbouwbeleid noodzakelijk wordt, o.a. in verband met de toekomstige toetreding tot de EU van landen in Midden- en Oost-Europa. Kol: “In die landen is de landbouwsector verhoudingsgewijs omvangrijk en de landbouwprijzen zijn er laag. Als er niets zou gebeuren zouden deze landen bij toetreding te maken krijgen met enorme prijsstijgingen die onaanvaardbaar zijn in verband met de toch al niet hoge levensstandaard.”

Het Europese landbouwbeleid moet dus om een reeks van redenen worden hervormd en aangepast. “Als de consument en belastingbetaler zich realiseert hoeveel hij bijdraagt aan dit ontaarde beleid, dan zou de druk op de politiek zozeer toenemen dat het wel tot forse herzieningen moet komen”, meent Kol. Hij verwijst naar een uitspraak van Peter Sutherland, directeur-generaal van de GATT in 1993: “In principe leidt elke beschermingsmaatregel tot hogere prijzen. Ik maak me sterk dat er een scherp protest zou volgen als overheden vertelden dat zij de prijzen kunstmatig hoog houden.”