Justitie 'leurde' niet met Nawijn

DEN HAAG, 24 MEI. Minister Sorgdrager (Justitie) is niet van plan de regeling te herzien die zij met de voormalige directeur van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), H. Nawijn, heeft getroffen.

Onlangs werd bekend dat Nawijn met buitengewoon verlof is om namens het management-adviesbureau KPMG onderzoek te doen naar het functioneren van de vreemdelingendiensten. Hij mag na twee jaar terugkeren naar het departement als de overstap hem niet bevalt.

De Kamerleden De Graaf (D66), Van Oven (PvdA) en Rijpstra (VVD) hadden de minister gevraagd of de opdracht die Nawijn kreeg wel wenselijk was, omdat hij jarenlang op het departement van Justitie nauw betrokken was bij het vreemdelingenbeleid. Volgens minister Sorgdrager, verantwoordelijk voor het personeelsbeleid, is Nawijn juist bij uitstek geschikt voor het onderzoek omdat hij al zestien jaar bemoeienis heeft op het terrein van vreemdelingenzaken. Zij laat de Tweede Kamer weten dat Justitie nog niet eerder een dergelijke regeling heeft getroffen met een ambtenaar.

Volgens Sorgdrager is bijna een jaar tevergeefs gezocht naar een andere functie voor Nawijn. Hij legde uiteindelijk zijn functie neer omdat het feit dat hij wilde vertrekken, “niet bijdroeg aan zijn gezag binnen de IND”, aldus Sorgdrager.

Volgens de secretaris-generaal van het departement, H. Borghouts, heeft het vinden van “een passende baan” voor Nawijn zo lang geduurd omdat het “minder gemakkelijk is naarmate de functie hoger is”. Hij ontkent dat er met Nawijn is “geleurd”. “Ik noem het niet leuren, maar op deskundige wijze naar een plek zoeken. We vinden het toch ook heel normaal als sollicitanten honderd brieven schrijven voordat ze iets vinden?”

Bij het ministerie van Justitie zijn de laatste maanden veel topambtenaren vertrokken omdat zij onvoldoende functioneerden. Zo vertrokken onder anderen secretaris-generaal Suyver en de leden van de bestuursraad Greven en Van Brummen. Mede door de nasleep van de parlementaire enquête over de opsporingsmethoden ontstond in de Tweede Kamer een discussie over de rechtspositie van ambtenaren.

Volgens Borghouts is een versoepeling van het ontslagrecht niet nodig. “Als de mens en de instantie van elkaar afwillen, zijn daar nu al talloze mogelijkheden voor”, zegt hij. “Het ontslagrecht voldoet in de omstandigheden rond het recente vertrek van enkele topambtenaren. De moeilijkheden waar Justitie tegenaan liep heeft meneer Philips ook. Ook die heeft er mee te maken dat mens en functie, om wat voor reden dan ook, niet goed passen. Dat blijkt soms nadat men jarenlang in goede harmonie heeft samengewerkt, maar omstandigheden en mensen veranderen. Daarom geven we soms mensen buitengewoon verlof.”

Borghouts zegt pas in allerlaatste instantie een financiële afkoopregeling te willen treffen met een ambtenaar die niet meer voldoet. “Dan betaal je een heleboel wachtgeld, maar je krijgt er geen arbeid voor terug. Dat is wat mij betreft bijna nooit aan de orde. Ik vind dat wachtgeld ook loon is, en daar mag een arbeidsprestatie tegenover staan.”

Vorig jaar oktober, tijdens het debat over de gouden handdruk van de toenmalige Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck die ook op de loonlijst van Justitie stond, was één van de punten van kritiek in de Kamer dat er geen dossier tegen de falende PG was opgebouwd. Functioneringsgesprekken bij de rijksoverheid vonden te weinig plaats, meende het parlement. Borghouts, die begin dit jaar Binnenlandse Zaken verliet om Suyver bij Justitie op te volgen, vindt dat dat moet veranderen. “Als een ambtenaar niet functioneert kan hij ontslagen worden, absoluut. Het achterliggende probleem is dat je wel moet bijhouden of iemand goed of slecht functioneert. Als je dat nooit tegen iemand zegt, heb je een slechte casus voor de rechter. Als je eens per jaar een officieel functioneringsgesprek hebt en dat keurig registreert, zal blijken dat het ontslagrecht werkt. Vlak voordat ik bij Binnenlandse Zaken wegging, heeft de bestuursraad besloten dat de directeuren-generaal ten minste één keer per jaar een functioneringsgesprek hebben met de secretaris-generaal. Hier op Justitie hebben we nog heel weinig directeuren-generaal over met wie ik dat kan doen.”