Andere Haagse toon heeft effect gehad

DEN HAAG, 24 MEI. Stil gehoopt en ook nog gekregen. Dat is de stemming in politiek Den Haag nu de uitslag van de Surinaamse verkiezingen duidelijk wordt. Groot is de opluchting in Kamer en kabinet dat de oude coalitie het redt.

Slechts één keer tijdens de campagne in Suriname doorbrak minister Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) zijn zichzelf opgelegde zwijgen. Dat was toen NDP-leider Bouterse begin deze week Nederland beschuldigde van grove inmenging in de Surinaamse verkiezingsstrijd. “Verdraaiing van de werkelijkheid”, riep Van Mierlo. “Ik heb geprobeerd de betrekkingen met Suriname te verbeteren en dat doe je nu eenmaal met de zittende regering.”

Het aanhalen van de banden heeft Nederland het laatste jaar heel intensief gedaan. De stroom geld uit de ontwikkelingspot waar Suriname recht op heeft, werd drastisch vergroot. In vrij korte tijd werd 267 miljoen gulden toegezegd. Er valt nog 675 miljoen gulden te besteden van de 3,5 miljard die Suriname bij de onafhankelijkheid in 1975 als afscheidscadeau kreeg.

Er was de regering veel aan gelegen dat zij na de verkiezingen niet gedwongen zou worden om met Bouterse, tegen wie in Nederland een gerechtelijk vooronderzoek loopt, zaken te doen. Dus kwam er extra veel aandacht en geld èn het verzoek van het kabinet aan minister Pronk voor Ontwikkelingssamenwerking om niet meer boos weg te lopen in Paramaribo als een persconferentie hem niet zinde. De toon moest anders.

Van Mierlo nam zelf het voortouw. Hij wilde “een aandrijfmotor inbouwen in het Raamverdrag van 1992”. In dat jaar kwamen Nederland en Suriname overeen om op het terrein van justitie, defensie, financiën, economie en de versterking van het overheidsapparaat nauwer samen te werken. Maar veel schot zat er bij de uitvoering van die goede voornemens niet in. De Surinaamse regering had het te druk om het leger te reorganiseren.

In februari '95 stelde Van Mierlo bij aankomst vast dat “wie de roep van dit land kent, weet hoe onherroepelijk dat bij je blijft”. In het begin van de jaren tachtig was hij zeven keer in Suriname geweest voor overleg over de ontwikkelingsrelatie. Nu reisde hij binnen enkele maanden twee keer naar Paramaribo en arriveert daar weer op 13 juni. Een van zijn gesprekspartners viel het in februari '95 tijdens een boottochtje op dat deze Nederlandse minister Surinamers als gelijken wilde behandelen. Hij zorgde voor een klimaatsverbetering, maar de echte doorbraak in de herstelde relaties waren de wat gunstigere rapporten van het Internationaal Monetaire Fonds waarin stond dat het land economisch langzaam uit een dal kroop.

De grote vraag in Den Haag bleef of het stoppen van de economische verslechtering op tijd kwam om het vertrouwen in de coalitie van de oude partijen, het Nationale Front, weer te winnen. Met name de jonge kiezers raakten niet overtuigd. De helft van de 269.000 kiesgerechtigden is jonger dan 25. Bovendien werden in Den Haag de waarschuwingen van Winston Jessurun, partijleider van DA '91 die banden onderhoudt met D66, dat de 'informele macht veel groter is dan de legitieme macht in Suriname', zeer serieus genomen.

Het aanhalen van de betrekkingen heeft uiteindelijk gewerkt, zo menen leden van het kabinet, maar de dilemma's waar Nederland mee te maken heeft in de verhoudingen met Suriname zijn nog levensgroot. Het beleid van 'kraan open, kraan dicht' met ontwikkelingsgeld heeft in het verleden veel irritatie en onbegrip gewekt in Suriname. In de Tweede Kamer zijn de emoties beduidend geluwd. D66 roept op tot een 'tedere' politiek ten aanzien van het land.

Bondgenoten als Frankrijk en de Verenigde Staten achtervolgen Nederland om voortgang te maken met de grotere samenwerking op justitieel, financieel, economisch en militair terrein. Ook zij zouden graag zien dat er naast Aruba en de Antillen ook een kustwacht komt voor Suriname om overbevissing, illegale vangsten, goudsmokkel en drugstransporten tegen te gaan. Er zou ook een betere inspectie van het Surinaamse luchtruim moeten komen. Nederland zou daartoe de initiatieven moeten nemen en voor een deel van de kosten opdraaien.

G. J. Oostindie, hoogleraar Volkenkunde in Leiden, omschreef het dilemma voor Den Haag vorige maand in de Internationale Spectator als volgt: “Enerzijds is Suriname langzamerhand gaan gelden als het schoolvoorbeeld van een mislukte ontwikkelingsrelatie, waarin de verwachtingen van de maakbaarheid van die andere maatschappij te hoog lagen en waarin bovendien door de donor te weinig consistent eisen werden gesteld”. Oostindië verwacht dat bij een wisseling van generaties in de Nederlandse politiek de voorheen vanzelfsprekende betrokkenheid zou kunnen verminderen. Maar hij acht het van de andere kant niet denkbaar dat Nederland de voormalige kolonie eenvoudig de rug toekeert. “Alle retoriek over Caraïbische integratie ten spijt gaan de meeste Surinaamse politici er terecht van uit dat voortzetting van de bilaterale banden de beste garantie is om Nederland gevangen te houden in het voor Suriname ogenschijnlijk zo voordelige postkoloniale schemergebied.”

Gevangen of niet opent Van Mierlo op 14 juni de nieuwe Nederlandse ambassade, het grootste kantoorcomplex van Paramaribo, een soort nieuw fort Zeelandia. En het kabinet heeft al toegezegd dat Suriname, als de 3,5 miljard helemaal op is, kan rekenen op nieuwe steun om het Raamverdrag verder uit te voeren.