De aangifte

Het is weer geklaard, het karwei van de belastingaangifte. Dat wil zeggen, het jaarlijkse evenement is achter de rug. Het soms bijna avondvullende gebeuren dat eruit bestaat dat de consulent - zou er behalve ik nog iemand zijn die dat woord gebruikt, eigenlijk? - aanbelt, klokslag acht uur zoals altijd, om mijn vrouw en mij, maar toch vooral mij, terzijde te staan, thee drinkend.

Want administratie en organisatie, nee daar liggen mijn talenten in geen geval. Ik zie jaarlijks tegen de exercitie op en slaak jaarlijks dezelfde zucht van verlichting. Ik heb - dit jaar voor het eerst naar het me voorkomt - niet langer de illusie dat ik beter georganiseerd zal worden.

Verder alles als voorheen. Een paar dagen dwaal ik met een gezicht als een oorwurm rond over mijn zolder en leg vele honderden meters af tussen diverse laden, bureauladen en tijdelijke staketsels waarop zich stapeltjes vormen. Bijtijds herinner ik me de hangmappensystemen, nog niet zo lang geleden hoopvol geïnstalleerd - na diepgaande analyse van de wegen die de papieren door het huis plegen af te leggen. Ze zijn nooit helemaal tot ware bloei geraakt, die hangmappensystemen.

Ik moet me ermee verzoenen dat het nooit goed komen zal. Of ze nu liggen of hangen, slingeren doen de papieren altijd. En vroeg of laat pleegt alles zo verregaand zoek te zijn dat alleen een grote schoonmaak plus de gelijktijdige invoering van een nieuw en beter regime, nog redding kan brengen. Ik wou dat ik een secretaris had. Maar dan wel een die mij zo tot in alle uithoeken kent als slechts de consulent gegeven is.

Ik rommel in oude rekeningen. Ik beoefen het hoofdrekenen. Waar ik, gelukkig maar, erg goed in ben. Dat doe ik ongeveer even snel als een rekenmachine. Ik hou ook van het domme ervan, en van de ijverige lipbewegingen. Staatjes ontstaan, cijferreeksen. Eerst reken ik mijzelf buitengewoon zorgelijk rijk - om me verbijsterd af te vragen waar al dat geld dan wel gebleven is. Want te begrijpen is het nooit, in de verste verte niet. Vervolgens is het zaak het inkomen omlaag te drijven door met volledige inzet alle aftrekposten te bedenken en te benutten. Dat is duidelijk.

De boekenrekeningen dus, daar gaat-ie weer. Het nieuw aangeschafte kantoormeubilair - waaronder het hangmappensysteem voornoemd. Eindeloze series bonnetjes van dit en van dat. Flink buiten de deur gegeten, zeg, dit jaar. Ik staar in de mist van het weggegleden verleden. Er doemt een restaurant op. Jawel. Maar wat deed ik daar ook alweer? En in welk gezelschap? En om precies te zijn: maakte dat gezelschap deel uit van mijn bestaan als kleine zelfstandige?

Zo speel ik patience met mijn stapeltjes; en overwin mijzelf - zo af en toe. Want zijn geweten heeft men niet voor niets. Ik zie oude besluiten die intussen vergaan zijn tot stof. Deze bon, voor een zijden das, jawel, natuurlijk herinner ik me die. Nominatiedas! Ik was vastbesloten die das, eenmaal gedragen, op te voeren als een met hand en tand te verdedigen representatiekost. Ik zag het gezicht van de dassenverkoper nog voor me en herinnerde me zijn grote geduld en bekwame analyses van het probleem.

Ik, die nooit dassen draag, ik was er volkomen zeker van geweest: deze halfhartige, eenmalige das, die wordt afgetrokken - zo waar als ik leef. Ik mag hangen als hij niet wordt afgetrokken. Enfin, een en al vastbeslotenheid en wil. Maar mijn gevoel voor maat en redelijkheid heeft de overhand al genomen en de bon verdwijnt in de prullenbak. Zo zit ik met een rimpel in het voorhoofd treinkaartjes te bestuderen. En giroafschriften waarvan ik bij god niet meer weet wat ze behelsd mogen hebben. Ben ik daar dan geweest? Heb ik daar iets gedaan?

En dezelfde voornemens van ieder jaar worden hernieuwd. Omdat het er, als ritueel, bij hoort. Jazeker, daar is de droom weer. Ik zal mijzelf veel tijd gaan besparen door, in plaats van alles in een algemene la te donderen, het van begin af aan langs gestroomlijnde trajecten naar fraaie mappen te geleiden, die mij op de dag des oordeels moeiteloos hun eenvoudige geheimen prijs zullen geven en mijn leven van het afgelopen jaar van een - in zakelijk opzicht - onwaarschijnlijke transparantie zullen laten zijn.

Mijn leven, gelezen door de inspecteur.

Ja, een beetje is het dat toch wel: een jaarlijks laatste oordeel, klein formaat. Met de consulent als middelaar. Heel wat jaren heb ik doorgebracht zonder me ook maar een seconde om pensioenvoorzieningen te bekreunen. Daar had ik toch geen geld voor. Dat wuifde ik weg als een verschijnsel behorend tot het soort leven dat ik nu eenmaal wilde leiden. En moet je mij nu zien. Eigenlijk zou je de zeventienjarige die je zelf geweest bent duurzaam bij je moeten hebben, voor zijn honende blik en zijn dodelijk commentaar.

Of beter nog misschien de drieëntwintigjarige, die van zijn hoogst armoedige inkomen een fors, zeg maar gerust uiterst royaal percentage naar een aantal menslievende instellingen placht te gireren - grotendeels dezelfde waarvan ik nog steeds een begunstiger ben, maar niet meer helemaal overeenkomstig het radicale gezichtspunt van weleer. Nu ja: een mens wordt ouder; meer is er misschien ook niet over te zeggen.

Er zijn verhevener zaken, dat weet ik ook wel. Maar toch. Op mijn ranglijst van diepe opluchtingen scoort het gedaan hebben van aangifte heel, heel hoog.