Dankwoord van K. Schippers, laureaat P.C. Hooftprijs; 'Drie wankelt altijd naar meer'

K. Schippers heeft vanmiddag in het Letterkundig Museum in Den Haag de P.C. Hooft- prijs uitgereikt gekregen voor zijn beschouwelijk proza. Hieronder zijn dankwoord.

Als ik vanmiddag, op dit ogenblik, de Stichting P.C. Hooft en de jury die haar van advies diende dank voor de mij toegekende prijs doe ik dat mede namens een groot aantal voorvallen en dingen. 't Is onmogelijk ze allemaal te noemen, maar een kleine keuze geeft een indruk van het variété waarvan ik de afgevaardigde ben.

Ik denk dan aan het oude telegramboek, Bentley's Complete Phrase Code, waarin woorden als zilah of zudka nog geen betekenis hebben. Misschien zullen ze ooit worden opgeroepen om mee te doen aan een tekst of een gesprek. Voorlopig staan ze nog onbetekend in de coulissen.

Het natuurpad voor blinden, dat moet ik ook noemen, die smalle weg tussen bos en duin waar het zien voor de gewone wandelaar een verboden vrucht wordt als hij beseft dat de bomen, het zand en het mos alleen door de tastzin tot hem door mogen dringen.

Nu nog een derde voorbeeld, drie wankelt immers altijd naar meer. Laat dat de omlijsting van het oog zijn, de kas van flauwe lijnen en bogen die elk stilleven of vergezicht kadreert, vooral als je één oog sluit.

Moet het bij het telegramboek, het natuurpad voor blinden en de oogkas blijven? Wie iets opsomt raakt al gauw in een versnelling en daarom voeg ik vlug drie schilders aan dit tableau de la troupe toe.

Voor de Italiaanse Griek Giorgio de Chirico waren het licht en de ruimte in elke stad een persoonlijke tragedie. 't Schijnt dat hij Turijn als voorbeeld nam. Toch staan zijn decors overal waar pleinen en gebouwen voor de wandelaars beangstigend zijn geworden.

Wie een stad van De Chirico uitloopt, komt in een landschap van de Fransman Yves Tanguy terecht. Het lijken stranden aan zee en toch zie je het water niet. De vlakte strekt zich uit tot de verdoezelde horizon. Op dat land liggen vormen die geen betekenis hebben.

Ik houd niet van dat woord, vorm, het is me te vaag. Skelet is bij Tanguy duidelijker en toch moet juist bij deze schilder zo'n precisie veinzend begrip worden vermeden. Het is gekoppeld aan de vertrouwde wereld en die komen we op zijn schilderijen nu juist niet tegen.

Horen in de stad van De Chirico en het land van Tanguy ook mensen thuis? Het licht is zo scherp en de ruimte zo wijd dat ze er maar beter niet kunnen zijn. De twee schilders hebben ze dan ook weggelaten, al zien we in de steden van De Chirico een enkele gezichtsloze paspop. Het lijkt haast of de beide kunstenaars hebben gedacht aan een universum dat nog niet kan worden gadegeslagen, domweg omdat er nog geen ogen bestaan.

Pag.7: Vrijwillige oefeningen in kijken en luisteren

Warhol en Tati maken van het onooglijkste een fantastisch waagstuk, vindt K. Schippers. Vanmiddag nam hij in Den Haag de P.C. Hooftprijs in ontvangst. In de steden van De Chirico en de landschappen van Tanguy kunnen mensen maar beter niet zijn, zegt hij in zijn dankwoord.

Ik bevolk hun wereld toch. Niet met u, hier in de zaal, maar met mensen zoals de Franse Duitser Hans Bellmer die zag. Voor hem stond de menselijke anatomie niet vast. Een hand kon uit een hoofd groeien en een voet uit een schouder. Soms zijn de oogleden met haar begroeid.

Omdat u deze regels, terwijl u ze hoort, niet kunt overlezen zal ik ze voor u samenvatten. Uit de steden van De Chirico en de landschappen van Tanguy is al het pittoreske weggeschraapt. Het lijf van Bellmers helden en heldinnen voldoet aan geen enkel voorschrift. Elk ogenblik kan het anders ontstaan.

Het is jammer dat een zin een beeld niet werkelijk kan citeren. De wereld van de drie genoemde schilders is mij hoe dan ook vertrouwd. Toen ik hun werk voor het eerst zag was het of ik het al jaren kende. Ze schilderden iets wat al heel lang deel van mij uitmaakte, al had ik er nog nooit een voorstelling van gezien. Tot deze steden, stranden en lichamen had ik - zonder het te weten - zo lang mogelijk afstand willen bewaren. En nu waren ze er, onontkoombaar. Het was onmogelijk ze ooit nog te ontkennen.

U heeft vanmiddag Denise Jannah horen zingen. Ik ben zeer vereerd dat ze op mijn verzoek hier op te treden is ingegaan. Ik mag misschien haar ritmiek en sensualiteit lenen om weg te komen uit de wereld die ik u zo even heb geschetst. Niet dat die daarmee is verdwenen. 't Blijft de linkerhand van elk voorval, soms hard, dan weer gedempt. Rechts klinken andere melodieën, is er gelukkig plaats voor de vaudeville van het allergewoonste, kom ik al luisterend naar Denise terecht in het theater van Jacques Tati.

Augustus vorig jaar maakte ik een reis naar Saint-Marc sur Mer, een badplaats in de oksel van Bretagne, niet ver van Saint-Nazaire. Hier had Tati in het begin van de jaren vijftig Les Vacances de Monsieur Hulot opgenomen. Ik wist niet wat ik er precies van moest verwachten en toch levert zo'n pelgrimage soms iets op.

Tien jaar eerder had ik in het dorp Sainte-Sévère rondgelopen, de locatie van Tati's debuut, Jour de fête. In een tijdschriftenwinkel raakte ik in gesprek met een verkoopster die de opnamen had meegemaakt. Toen ze zich een keer bedroefd voelde, zei de filmer iets onvergetelijks tegen haar: “Le spectacle est partout”.

In Saint-Marc sur Mer wachtte mij een teleurstelling. Het hotel stond er nog, maar de lounge, zoals ik die kende uit Les Vacances de Monsieur Hulot, was nergens te vinden. Het bleek dat Tati de binnenopnamen in een studio van Boulogne-Billancourt had gemaakt. Ook het uitbouwseltje dat dienst deed als 'l'entrée de l'hôtel' was er niet. Hoe echt het er ook in de film uitziet, Tati had er een decor voor laten maken. Na de opnamen was het meteen weer weggesloopt.

Verder klopte alles. Het hotel, dat van ver voor de oorlog moest stammen, kon nauwelijks veranderd zijn. De door heuvels ingesloten baai, vol grillige rotspartijen, zag er net zo uit als in de film. Hier schilderde Hulot aan de vloedlijn z'n kano, terwijl de pot verf door het opkomend water wegdreef om met de terugstroom prompt op tijd weer naast de boot aanwezig te zijn als de kwast opnieuw moest worden ingedoopt.

Ik bleef een paar dagen in het Hôtel de la Plage. Anders kon het natuurlijk niet heten. Vanaf het terras keek ik naar het strand.

Een meisje van een jaar of elf ligt op haar buik. Ze graaft in het zand. Het begin van een bouwsel. Plotseling staat ze op en laat het zand dat ze nog in haar handen heeft door de wind verwaaien. Ze zwaait met haar armen zonder dat ze die in een bekende handeling of in het een of andere spel laat opgaan. Ja, toch, nu maakt ze een radslag, nog een en nog een om dan uitgewenteld over het strand te lopen. Weet ze iets anders te verzinnen? Geen richting gaat nog voor haar op. Dan loopt ze naar een tafeltje, gaat zitten en legt haar hoofd op haar armen.

In de beschouwing Het proefondervindelijk bestaan citeer ik Lucy Fischer die een latere film van Tati, zijn meesterproef Playtime, een 'danse macabre' noemt. Ik vond die opmerking iets te zwaar en toch is het of de helden in deze film soms werkelijk zoeken naar de juiste richting en het juiste woord. Het is of elk ogenblik proefondervindelijk moet worden doorstaan.

Monsieur Hulot heb ik in verscheidene romans laten optreden. Een liefde in 1947 begint in de bioscoop waar Les vacances draait en in Beweegredenen speelt hij een gastrol als de klassieke voorbijganger die de held van het boek maar niet kan passeren. Als jij een stap opzij doet gaat hij dezelfde kant op en als je na een paar uiterst slimme passen van hem bevrijd denkt te zijn staat hij wéér voor je: het perpetuum mobile van het onmogelijke voorbijgaan.

Ook in Vluchtig eigendom komt hij voor. Kort nadat de roodharige pianiste de nacht met haar elfjarige vriend heeft doorgebracht raken een appelmoes verkopende conservenfabrikant en een praatgrage hotelgaste over hem in gesprek.

De dialoog gaat over Confusion, de laatste film die Tati van plan was. De biografie Jacques Tati, frame by frame van James Harding licht ons in over wat de regisseur met die in de filmtitel beloofde verwarring voorhad.

Monsieur Hulot is in dit verhaal de uitvinder van een nieuw kleurensysteem voor televisie. Als de cameraman rechtstreeks verslag doet van een militaire bijeenkomst raken de kleuren van de generaals in het ongerede. Het geel op hun petten begint te smelten en druipt over hun gezicht. Het rood van hun onderscheidingen komt in beweging en druppelt als bloed over hun uniform.

Ook het geluid is in Hulots nieuwe systeem aan de wandel. Soldaten vallen bij kanongebulder in slaap. Pas als ze de vogeltjes horen twinkeleren beginnen ze in het wildeweg te schieten.

Toen G. Brands Tati twintig jaar geleden voor het blad Hollands Diep sprak, zei de regisseur dat hij 'lost in confusion' was. Brands vertaalde dat schitterend met 'verdwaald in de melancholie'. Toch bedoelde Tati iets anders. Dat bleef in het ongewisse omdat hij niet over z'n nieuwe film begon. Hij nam z'n tegenvallers dit keer heel letterlijk. Aan Playtime was hij failliet gegaan en voor Confusion kon hij niet eens meer een geldschieter vinden. Tati stierf op 4 november 1982 en zo bleef het nieuwe kleurensysteem voorgoed van papier.

Jacques Tati had er een hekel aan z'n films te verklaren. Ze moesten voor zichzelf spreken. Hij wilde het publiek alleen maar een avondje vermaken. Als een deskundige te veel achter z'n grappen zocht werd de regisseur stil. Zo'n houding verdient ons respect. En toch zit juist in de films van Tati een zeldzame ontwikkeling en ontdek je steeds nieuwe kanten aan z'n werk, al staan die laatste beelden alleen maar op papier.

Tati is de filmer van een oeuvre waarin hij steeds een stapje verder gaat. In de stille decors van De Chirico en Tanguy regisseert hij de gebeurtenissen. Pas in de zelden vertoonde film Cours du Soir laat hij geen afgerond verhaal, maar de eenvoudigste bewegingen zien.

Hoe begon het?

In Jour de fête uit 1947 speelt hij de postbode François die een dromerig provincieplaatsje op z'n kop zet als hij de post in de Amerikaanse snelle stijlbezorgt. Het is nog min of meer een klassiek verhaal met een begin, een midden en een slot.

In Les Vacances de Monsieur Hulot en Mon Oncle, films uit de jaren vijftig, laat hij dat verhaal schieten. 't Is of hij quitte wil spelen met het leven om zich heen. Geen hoofdlijn meer, alleen afzonderlijke scènes. Soms zoekt hij het nog in het groteske, denk aan de scène waarin hij een vuurwerkloods in de lucht laat vliegen. Meestal heeft een voorval nauwelijks nog een plot. Een kind loopt met twee ijshoorntjes een trap op, meer niet.

Tati rekent in Playtime af met de anekdote en dat heeft hem de kop gekost. Ik herinner me dat ik de film in 1967 samen met Jan Hanlo zag. Hij was een groot bewonderaar van Tati, maar in Playtime miste hij dat veld van kleine grapjes uit z'n vroegere films. Hanlo vond Playtime te cerebraal: Tati had de film stuk gedacht.

Ik was het niet met hem eens. In Playtime wordt het klassieke verhaal voortdurend bespot. Sommige scènes kun je nog navertellen. U herinnert zich misschien het ogenblik dat de glazen deur van een restaurant wordt verbrijzeld. De portier doet of er niets aan de hand is. Hij duwt de knop in de leegte en opent hoofs de niet bestaande deur als er een nieuwe gast aankomt.

Op een ander ogenblik blijft een niet goed vastgelijmde vloertegel aan de schoen van een ober zitten. Er lopen zoveel obers rond dat het nu wel vaker moet gebeuren. Zo wordt een film meestal opgebouwd. Begin iets en maak het dan af. Maar bij Tati raakt er geen tweede tegel los van de vloer. De bezoeker hoopt op een verhaal dat uitblijft. De hele mallemolen van het vertrouwde voorval draait dol.

Wat een ramp dat Tati Confusion niet heeft kunnen maken. Wie een gebeurtenis niet wil laten dichtslibben komt vanzelf terecht bij het toestel dat de omgeving altijd zo braaf vastlegt: de camera. Als ook die niet betrouwbaar is beginnen de kleuren te lekken, verspringt het geluid van vogels naar de loop van een kanon, ontkomt alles aan het kleed dat het jaar in, jaar uit moet dragen, verdwijnt de hinkstapsprong van het verhaal.

Confusion bestaat niet, maar Cours du Soir wel. De film werd in 1967 in de decors van Playtime gemaakt, net als Wayne Wang en Paul Auster op de set van hun film Smoke in een paar weken het vervolg Blue in the face draaiden, een extraatje op een locatie waarvan ze nog geen afstand wilden doen.

Bij mijn weten is Cours du Soir niet eerder in Nederland vertoond. Hij zou hier vanmiddag z'n première beleven en toch gebeurt dat niet. Nadat de film eindelijk uit Parijs in Den Haag was aangekomen wilde ik hem meteen zien in de zaal waar u nu zit. Er kan zo vaak iets mis gaan bij een projectie en dat moest ik op een dag als deze voor zijn.

Het filmscherm had de juiste afmeting. De projector deed het. Alles leek volkomen in orde. Maar toen de eerste beelden op het doek verschenen was het of Tati zelf z'n laatste onvoorspelbare truc uithaalde. Met z'n ontregelende kleursysteem was hij Cours du Soir te lijf gegaan.

Alle scènes waren rood, niet een beetje rood, nee, het leek of de film in een pan tomatensoep was gevallen. Geel, groen, blauw of noem een andere kleur, ze kwamen er niet meer in voor. Ik besloot dat de film niet zou worden vertoond. Het kon niet anders. De choreografische finesses waren onzichtbaar geworden.

U zult het vanmiddag met mijn woorden moeten doen. Cours du Soir betekent avondschool. De film in die lichte pastels is de samenvatting van alles wat Tati heeft geprobeerd. Hij komt dichter bij z'n onderwerpen dan ooit. Het verhaal is versplinterd tot z'n simpelste onderdelen. Tati staat op het podium van een klas voor een gezelschap keurig geklede zakenlieden. Hij onderwijst vallen, struikelen, roken en nog enkele andere werkwoorden of het vakken zijn van een onbekende studierichting.

Het onderwijs van Tati doet mij denken aan de Brillo Box van Andy Warhol. Die doos is genadeloos overbodig, maar als je hem ziet is hij zo onmiskenbaar aanwezig dat je om dit Lam Gods onder de dingen in de lach schiet. Warhol en Tati maken van het onooglijkste een fantastisch waagstuk. Wat meestal terugwijkt komt binnen het bereik van de beschouwer en toch blijf het schuw, behoudt het z'n matte karakter, heen en weer, heen en weer...

Tati gebruikt in z'n films weinig dialoog. In Cours du soir wordt nauwelijks gesproken. Aan het slot zegt de leraar toch nog iets, 'exercices à volonté'.

Vrijwillige oefeningen. Die wenst hij z'n leerlingen toe. Ook buiten mogen ze op eigen kracht leren struikelen, vallen en opstaan.

Misschien kunt u het al.