JENNIFER LARMORE OVER Mozart en Rossini

Gala-Benefietconcert door het Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Edo de Waart, m.m.v. Jennifer Larmore. Concertgebouw Amsterdam, 21/5. Er zijn nog kaarten beschikbaar. Directe radio-uitz. NCRV Radio 4 20.15 uur.

“Van Mozarts Non so più cosa son, cosa faccio (uit de opera Le nozze di Figaro) tot Eccomi alfine in Babylonia (uit Semiramide van Rossini) is een wereld van verschil. Die twee aria's vergen een totaal andere manier van zingen, een volslagen ander stemgebruik.”

Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het Radio Filharmonisch Orkest brengt de Amerikaanse mezzosopraan Jennifer Larmore morgen tijdens een gala-concert in Amsterdam onder leiding van Edo de Waart een programma ten gehore dat voornamelijk bestaat uit muziek van Mozart en Rossini. In tien jaar tijds heeft Larmore een grote internationale carrière opgebouwd. Vorig jaar vertolkte zij bij De Nederlandse Opera nog de rol van Isabella in Rossini's L'Italiana in Algeri.

“Nog afgezien van de verschillen in stijl, moet ik voor de Cherubino-aria uit Le nozze mijn stem aanzienlijk lichter van toon maken en moet ik zéér jong en gepassioneerd overkomen. Eccomi alfine is veel lager en rijker. Rossini schreef veel partijen voor contralto, maar bij gebrek aan echte contralto's worden die tegenwoordig veelal gezongen door mezzosopranen. De contralto heeft een soort van natuurlijke laagte. Door mijn grote stemomvang kan ik eenvoudig zingen in het bereik van de sopraan èn dat van de contralto. Wat mij echter tot een mezzo maakt is de vocale kleur en het gebied waarin de tessitura (de geschiktheid van een melodie om uitgevoerd te worden door een bepaald stemtype) het meest tot zijn recht komt.

“In het Mozart-repertoire hebben mezzo's niet echt geweldig interessante dingen te doen. Natuurlijk is er Sesto in La clemenza di Tito, een partij die extreem goedgunstig is voor het mezzo-stemtype. Maar die van Annio in dezelfde opera ligt daarentegen zeer hoog. Mozart had duidelijk een voorkeur voor sopranen en tenoren. Rossini's favoriete stemtype was de mezzo en thanks God for that, anders zou ik de helft minder werk hebben dan nu.

“Als ik Rossini zing, neem ik veel vrijheden. Ik kan een coloratuur veranderen als ik dat nodig vind om een bepaalde emotie kracht bij te zetten. Dat kan minder bij Mozart. Ook daar kun je wel eens een nootje toevoegen, maar dat is toch anders. Ik zou dolgraag met een tijdmachine even terugkeren naar de tijd van Rossini om te horen hoe zijn muziek toen werd uitgevoerd. Dat zou goed voor ons zijn, want er zijn tegenwoordig zoveel puristen die de wijsheid in pacht menen te hebben.

“Volgens mij is Rossini namelijk geen dwingeland geweest die erop stond dat de noten precies zo werden uitgevoerd als hij ze noteerde. Voor mij is hij veeleer de George Gershwin van zijn tijd. Rossini was een fuifnummer en zijn enorme gevoel voor humor klinkt door in de muziek. Toen ik eens in Covent Garden in de Barbier van Sevilla zong, sprak ik bij een platenzaak een man over Una voce poco fa, de bekende aria van Rosina. De man verkondigde zeer beslist dat de enige die deze aria zong zoals het moest de Spaanse Conchita Supervia was.

'Hoezo, zoals zij gezongen móet worden?', vroeg ik hem fel (ik kan zulke uitspraken niet uitstaan!). Hij antwoordde, dat Rossini muziek schreef met nauwelijks vocale ornamenten. 'Excuseer', zei ik, 'maar ik bezit toevallig fotokopieën van versieringen die Rossini zelf in zijn partituren krabbelde. Dat zijn er zoveel, te veel zelfs voor mij!' Ik heb mijn lesje geleerd. Rossini voegde zelf van alles aan zijn muziek toe, afhankelijk van de uitvoering en de zangers. Ik denk dat Rossini veel minder rigide was dan de mensen tegenwoordig zijn.''