Het aftellen van de VVD-ministers

Het was niet de meest uitgelaten bijeenkomst van het VVD-bewindsliedenoverleg geweest, zo melden direct betrokkenen. Verbaasd-verontwaardigd, dat is misschien nog de beste omschrijving van de sfeer die er anderhalve week heerste geleden bij het wekelijkse liberale samenzijn op het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Wederom waren het uitlatingen van de voorzitter van de Tweede Kamerfractie van de VVD, Frits Bolkestein, geweest die voor opschudding hadden gezorgd. Maar dit keer was hij wel heel erg in de buurt, om niet te zeggen in het vaarwater van de VVD-bewindslieden gekomen. In het boek Jan Pronk, rebel met een missie, van de journalisten Margriet Brandsma en Pieter Klein, laat Bolkestein en passant weten van mening te zijn dat ministers niet langer dan vier jaar op eenzelfde ministerie moeten zitten. Bolkestein: “Dat geldt voor een ieder, dus ook voor VVD'ers. Mensen moeten niet langer dan vier jaar op een departement zitten. Het is bijna altijd zo dat een nieuwe minister fris naar dezelfde zaak kijkt. In Engeland wisselen ze te vaak van ministers, maar in Nederland te weinig.”

En dat vonden Hans Dijkstal, Annemarie Jorritsma, Gerrit Zalm, Joris Voorhoeve en Jozias van Aartsen, oftewel het VVD-quintet in het kabinet Kok, niet leuk om te horen. Halverwege de officiële zittingstermijn van vier jaar is het gebruikelijk dat ministers eens hardop gaan nadenken over de beschikbaarheid voor een volgende periode. Maar nu had Frits Bolkestein dat dus al voor ze gedaan. Bovendien, als het om dit soort posten gaat is Frits' wil wet, weet iedereen in de VVD sinds de laatste kabinetsformatie.

Kortom, er werd tijdens het wekelijkse overleg tussen de VVD-bewindslieden en de fractietop opheldering gevraagd. Zoals wel vaker moesten ook dit keer Bolkesteins woorden niet al te letterlijk worden genomen. Ministers dienden in principe niet langer dan vier jaar hetzelfde departement te dienen, maar uitzonderingen moesten natuurlijk altijd mogelijk blijven, zo suste Bolkestein. Dat nu was voor alle aanwezigen exact ook de nuance waar ze op zaten te wachten. Zich vastklampend aan de stellige overtuiging zelf in elk geval tot de uitzonderingen te behoren, verliet een ieder die avond toch nog enigszins gerustgesteld de vergadering. Ondertussen blijft de klemmende vraag: geldt de door hem gesuggereerde vier-jaarstermijn ook voor fractievoorzitters?