Morele Herbewapening, ideologie van de verzoening; De elite van het goede voorbeeld

Bij Morele Herbewapening schudden de fabrikant, de vakbondsman en de politicus elkaar de hand. Al vijftig jaar streeft de beweging van de Amerikaanse predikant Frank Buchman naar vrede op aarde. Als partijen naar elkaars argumenten leren luisteren dan komt alles goed. De Koude oorlog is voorbij, maar de idealen leven nog.

'Geheim' staat er op dossier 912.10 in het archief van het ministerie van Buitenlandse Zaken gedrukt. Daarin bevindt zich een verslag van een gesprek dat Frits Philips op 13 mei 1959 voerde met minister-president Beel. Kort daarvoor had Philips in Kopenhagen een ontmoeting gehad met de Indonesische president Soekarno. Philips vroeg Soekarno of hij er iets voor zou voelen een 'vertrouwenscommissie' in te stellen om de overdracht van Nieuw-Guinea te regelen. “Als nu eens twee van uw mensen en twee van ons bij elkaar gingen zitten om een draft te maken, zou dat dan niet een aanvaardbare propositie zijn?”, vroeg Philips aan Soekarno. Die antwoordde niet te verwachten dat de Nederlandse regering daartoe bereid zou zijn.

De indruk die Philips aan het gesprek overhield was dat er “economisch nog geweldige kansen” lagen in Indonesië, zo zei hij tegen Beel. De minister-president hoorde het aan, maar daar bleef het bij.

Waarom voelde Philips zich geroepen de Nederlandse regering een handje te helpen? Misschien wilde hij de economische belangen van het Nederlandse bedrijfsleven in Indonesië veilig stellen. Maar Philips werd zeker ook gedreven door idealistische motieven. Het gesprek met Soekarno was gearrangeerd door de Deense oud-minister van Buitenlandse Zaken, O.B. Kraft. Die was, net als Philips, actief voor Morele Herbewapening. Stille diplomatie was een van de handelsmerken van deze beweging, die werd geleid door een Amerikaanse predikant, Frank Buchman.

Een “ideologie” noemde Buchman (1878-1961) de Morele Herbewapening, een term die hij in 1938 voor het eerst gebruikte. In de Tweede Wereldoorlog hadden de democratieën gezegevierd over het fascisme, maar de Koude Oorlog zou het Westen volgens Buchman niet kunnen winnen met wapens alleen. Het Westen moest zich ook “moreel en geestelijk” versterken om het communisme weerstand te kunnen bieden. Het geloof in God speelde daarbij een belangrijke rol. Verder moesten de westerse landen, in de visie van Buchman, de vijand het goede voorbeeld geven door onderlinge ruzies bij te leggen. De Amerikaan bezat de optimistische overtuiging dat alle conflicten in de wereld opgelost zouden kunnen worden door de ruziënde partijen kennis te laten nemen van elkaars argumenten.

In 1946 organiseerde Morele Herbewapening voor het eerst een conferentie in het Zwitserse plaatsje Caux. In het Palace Hotel, gelegen op de top van een berg, met uitzicht over het Meer van Genève, kwamen politici, industriëlen, vakbondsleiders en geestelijken uit een aantal Europese landen op uitnodiging van Morele Herbewapening bijeen. Ze konden daar in informele sfeer met elkaar van gedachten wisselen over de vraag hoe het verder moest met Europa. Dit jaar viert Morele Herbewapening het vijftigjarig bestaan van het conferentie-oord in Caux. “Als de geest van God mensen inspireert, dan worden zij scheppers van vrede, verzoening en verandering”, staat op de uitnodiging voor de 'jubileumconferentie' die de hele zomer zal duren. De Koude Oorlog is voorbij, maar het doel van de bijeenkomst is nog steeds even mooi als onbereikbaar: vrede op aarde voor alle mensen.

Wassenaar

In de Amaliastraat in Den Haag bevindt zich het kantoor van Morele Herbewapening in Nederland: een werkkamer, een ontvangstruimte en een vergaderzaaltje. “Morele Herbewapening probeert bruggen te bouwen en verzoening tot stand te brengen”, zegt Maarten de Pous (54), die daar met drie anderen full-time werkt. “Hulpmiddelen daarbij zijn: het geloof, het geweten, en netwerken.”

De belangrijkste claim van Morele Herbewapening is de stimulerende rol die het na de oorlog zou hebben gespeeld bij de verzoening van de Fransen met de Duitsers. Zowel de Duitse kanselier Adenauer als de Franse premier Schuman, die aan de wieg stonden van de Europese Gemeenschap, behoorde tot de 'inner circle' van Buchman. Allebei gingen ze naar Caux. Allebei betuigden ze publiekelijk hun steun aan de beweging. Schuman schreef in 1950 het voorwoord voor een boek van Buchman getiteld 'Herbouw van de Wereld': “De democratie en haar vrijheden zullen alleen gered kunnen worden door de kwaliteit van leven van diegenen die in haar naam spreken. In pakkende en eenvoudige woorden wordt dit door Dr. Frank Buchman uitgedrukt.” Kort na de ondertekening van het 'Schuman Plan' in 1951 stuurde Adenauer een brief aan Buchman die werd gepubliceerd in de New York Herald-Tribune: “De afgelopen maanden zijn, na moeilijke onderhandelingen, belangrijke internationale overeenkomsten gesloten. Morele Herbewapening heeft een onzichtbare, maar belangrijke rol gespeeld in het overbruggen van meningsverschillen tussen de onderhandelende partijen (...).”

De activiteiten die Morele Herbewapening de laatste jaren in Nederland organiseert zijn minder ambitieus. “Er zijn bijeenkomsten voor gezinnen en discussies over het thema 'Christendom en Islam' ”, vertelt De Pous. “Allemaal kleine initiatieven.” “Negentig procent van het werk vindt plaats in de informele sfeer”, zegt Aad Burger (67), vanaf begin jaren vijftig actief voor de beweging. “Mensen moeten met elkaar kunnen praten zonder het gevoel te hebben dat wat ze zeggen meteen de volgende dag in de krant staat.” Zo komt er sinds tien jaar onder auspiciën van Morele Herbewapening een clubje zakenmensen bijeen onder de noemer 'Gespreksgroep Wassenaar'.

Linkse kringen zagen Morele Herbewapening in de jaren vijftig en zestig als een samenzwering van alles wat fel anti-communistisch en rechtsconservatief was in Nederland. Er werd gefluisterd (maar nooit bewezen) dat de CIA haar activiteiten financierde. Dat weerhield een aantal politici er niet van naar de jaarlijkse conferenties in Caux te gaan, ook al werden ze daar soms door hun partijgenoten op aan gekeken. Onder andere Th. Joekes, minister van sociale zaken voor de PvdA, A.H.M. Albregts, oud-minister voor Produktiviteit (KVP), J.L. Hoogland, Eerste Kamerlid (PvdA), D. de Loor, burgemeester van Delft en lid van de Eerste Kamer (PvdA), K.T.M. van Ryckevoorsel, Tweede Kamerlid (KVP), brachten in de jaren vijftig een bezoek aan het Zwitserse conferentie-oord. “Ongeveer negentig personen zullen er dit jaar uit Nederland naar Zwitserland gaan”, schat De Pous. Bekende politici zullen er waarschijnlijk niet bij zijn. Het is moeilijker geworden hen voor iets dergelijks te interesseren, erkent hij. De tijden zijn veranderd. “Dat lukt alleen als je ze uitnodigt om iets te vertellen over een onderwerp waarvoor ze zelf bijzondere belangstelling hebben”, zegt De Pous. Tweede Kamerlid Yvonne van Rooy (CDA) was de laatste Nederlandse politicus van enige naam die, een aantal jaren terug, naar Caux ging. Ze was toen nog staatssecretaris van Buitenlandse Handel. “Het was een hele inspirerende en stimulerende bijeenkomst”, herinnert Van Rooy zich. Ze was in 1990 twee dagen in Caux op uitnodiging van kennissen “die daar mee bezig zijn”. Van Rooy ontmoette er personen uit het Japanse en Amerikaanse bedrijfsleven, waaronder de president-directeur van Canon. “Men sprak elkaar er op aan, dat bedrijven ook andere verantwoordelijkheden hebben naast het maken van winst. De verantwoordelijkheid naar het milieu en naar werknemers toe bijvoorbeeld. Ik vind dat heel positief”, aldus Van Rooy.

Wilhelmina

Het beïnvloeden van leiders maakte deel uit van Buchmans strategie. Als die eenmaal bekeerd zijn, dan volgt het volk vanzelf, redeneerde hij. Mussolini, Gandhi, en Sun Yat Sen, ontmoette die hij al voor de oorlog. In 1935 en 1936 deed hij een paar pogingen ook in contact te komen met Hitler, maar dat mislukte. Buchman kwam niet verder in de hiërarchie dan Himmler met wie hij in die jaren verschillende malen sprak over het geloof. Al in 1923 had Buchman voor het eerst een bezoek gebracht aan Nederland. Een Duitse kennis introduceerde hem toen bij de adellijke familie Van Heeckeren die woonde op een landgoed in De Steeg, vlakbij Arnhem. De Van Heeckerens raakten in de ban van de charismatische Buchman, die hun 'opwekkende' verhalen vertelde over mensen die hun leven 'veranderd' hadden. Het was niet zozeer wat hij vertelde, als wel de manier waarop hij dat deed. Buchman sprak over het geloof met een beleving die velen in hun eigen kerk misten. Over politiek had Buchman het toen nog nauwelijks.

Er vormde zich in Nederland een groepje volgelingen van enkele honderden personen. Zij werden vooral gerecruteerd onder de adel en de gegoede burgerij. Tot dat groepje behoorden onder andere A. Stoop van Strijen, directeur van Siemens, A.K.C. de Brauw, advocaat bij de Hoge Raad en een vooraanstaand anti-revolutionair politicus, J.A.N. Patijn, minister van Buitenlandse Zaken onder Colijn, en, ook toen al, Frits Philips. Over de banden tussen Morele Herbewapening en het koningshuis is weinig zeker. Vast staat dat koningin Wilhelmina in 1938 elf personen, die in de krant een 'oproep tot Morele Herbewapening' hadden ondertekend, op Soestdijk ontbood. Kort daarop liet zij in een officiële verklaring weten “met instemming” kennis te hebben genomen van die oproep. Na de oorlog is prins Bernard wel eens aanwezig geweest bij een door Morele Herbewapening georganiseerde lunch, aldus Aad Burger.

Behalve op het terrein van buitenlands beleid, was de beweging in de jaren vijftig actief in het Nederlandse bedrijfsleven. Werknemers van grote bedrijven als Hoogovens, KLM, Philips en de RDM ontvingen uitnodigingen om deel te nemen aan de conferenties in Caux. Overeenkomstig Buchmans strategie werden daarvoor mensen uitgekozen die een leidende functie vervulden, zoals NVV-voorzitter E. Kupers, die in 1952 naar Caux ging. Aart Burghout (77), begin jaren vijftig tweede voorzitter van de 'kern' (de voorloper van de ondernemingsraad) bij Hoogovens, ging in 1951 op kosten van Morele Herbewapening een week naar Zwitserland. Zijn vrouw mocht ook mee. “Veel was er niet te beleven”, vertelt hij. “Er werd veel gepraat en we maakten wandelingen door het bos.” Hij herinnert zich hoe hij samen met buitenlandse fabrieksdirecteuren en hooggeplaatste gasten meehielp bij het bereiden van de maaltijden. “Sommige daarvan wisten niet hoe ze aardappels moesten schillen, omdat ze dat nog nooit hadden gedaan”, zegt Burghout lachend. Terug in Nederland vertelde hij zijn collega's “dat er wel positieve kanten” aan Morele Herbewapening zaten. Maar na een paar jaar verloor hij het contact met de beweging.

Lid worden

“In Caux schudden de arbeidersleider en de fabrikant elkaar de hand. En dat heeft grote invloed op hun denken”, zegt de nu 90-jarige Frits Philips. Hij spreekt in de tegenwoordige tijd. Vanaf zijn landgoed in Eindhoven volgt hij de ontwikkelingen binnen de beweging nog op de voet. Dat Morele Herbewapening zich altijd in sterke mate op personen in leidende posities heeft gericht vindt Philips logisch: “Als iemand belangrijke beslissingen neemt voor een land, dan is het toch belangrijk dat hij dat doet op grond van zuivere morele maatstaven? Belangrijker dan wanneer een postbode dat doet. Ik geloof dat het ook vandaag nog ontzettend nodig is in de maatschappij, dat mensen uitkomen voor hun geloof.” Het kon Buchman niet zoveel schelen wat voor geloof dat was, protestants of katholiek, dat maakte niet uit. Hij riep mensen op datgene in praktijk te brengen waarin ze zelf geloofden. Morele Herbewapening gaat uit van het goede in de mens. Van de veronderstelling dat conflicten, hoe groot ook, door overleg de wereld uit geholpen kunnen worden. Daarbij moet niemand als gesprekspartner worden uitgesloten. “Als we Stalin naar Caux hadden kunnen halen”, zegt Philips, “dan hadden we dat natuurlijk gedaan. Misschien was het dan in Rusland heel anders gelopen.”

Ook in de jaren vijftig waren niet meer dan een paar honderd mensen daadwerkelijk actief binnen de beweging. Door een zeer losse structuur en een gebrek aan enige vorm van organisatie was het onmogelijk dat Morele Herbewapening een massabeweging werd. Geïnteresseerden konden geen 'lid' worden. De enige manier om erbij te komen was via iemand die er al bij hoorde.Een massabeweging was ook niet nodig, gezien het streven van Morele Herbewapening om vooral “achter de schermen” een verzoenende rol te spelen.

Niettemin trad Morele Herbewapening wel naar buiten, onder andere door middel van toneelvoorstellingen. In 1956 werd in de schouwburg van Rotterdam het stuk 'De Baas' opgevoerd, over een vakbondsleider en een directeur van een staalfabriek, die ruzie met elkaar hadden over het ontslag van duizend arbeiders. In het stuk wordt het ontslag voorkomen als de directeur het geloof in God hervonden heeft. De cast bestond onder andere uit A. Sillem, bestuurslid van de Amsterdamse effectenbeurs, J. Dorgelo, de dochter van de Eindhovense rector magnificus H.B. Dorgelo, die ook bij Morele Herbewapening was, en Anton Philips, een van de zonen van Frits.

De doorsnee Morele Herbewapenaar was vrij bemiddeld; er hoefde nooit gecollecteerd te worden. Het toneelstuk 'De Baas' was in 1957 al eens in besloten kring gespeeld in de Wassenaarse woning van Charlotte van Beuningen-Fentener van Vlissingen, ook een trouwe volgeling van Buchman. Bij die gelegenheid was minister-president Drees aanwezig, weet Aad Burger. “Drees zei tegen Sillem dat hij het stuk interessant, maar wel erg Amerikaans vond. Duizend mensen ontslaan, dat was volgens hem in Nederland uitgesloten”, aldus Burger.

Het beeld dat Morele Herbewapening uit aartsconservatieve communistenhaters bestond, kwam vooral door 'Ideologie en Coëxistentie', een 32 pagina's tellend boekje dat in 1959 huis-aan-huis verspreid werd. De eerste regels van dit oorspronkelijk Amerikaanse pamflet brengen de stemming er meteen goed in: “Wij zijn in oorlog. De Derde Wereldoorlog is begonnen.” Door te praten over 'vreedzame coëxistentie', waarschuwt de schrijver, proberen de Russen het Westen in slaap te sussen, om op een onverwacht moment toe te kunnen slaan. “Griezelig”, oordeelde de Nieuwe Rotterdamse Courant, die de inhoud van het 'manifest' omschreef als “McCarthy met een glimlach.”

“Ideologie en Coëxistentie was een van de minst sterke publikaties van Morele Herbewapening. Het heeft veel kwaad gedaan”, oordeelt Peter Hintzen (67), ook al bijna een halve eeuw actief voor de beweging, terugkijkend. “Zij zijn slecht en wij zijn goed, zeiden we. En dat was natuurlijk niet helemaal waar.” Hintzens vader, bankier te Rotterdam, was er in de periode voor de oorlog al bij. Veel Morele Herbewapenaars van nu, zijn kinderen of kleinkinderen van Morele Herbewapenaars van toen.

Ordelijk land

Na de dood van Frank Buchman in 1961 slonk de aanhang van de beweging. Het groepje mensen dat momenteel nog activiteiten organiseert in Nederland is “enkele tientallen” groot. In het buitenland, met name in India, Japan en enkele Latijnsamerikaanse landen, heeft de beweging nog duizenden aanhangers. “In Brazilië is Morele Herbewapening bijvoorbeeld werkzaam in hele arme gemeenschappen, waar vechtende groepen de orde verstoren. Die proberen we met elkaar te verzoenen en dat lukt ook”, zegt Hintzen. “Als je iemand uit zo'n buurt, die zelf aan de drugs is geweest, zover krijgt dat hij zijn leven betert en het goede voorbeeld gaat geven, dan maakt dat indruk.” In Nederland valt er nu eenmaal niet meer zoveel eer te behalen, vandaar dat de beweging is gekrompen. “Er is hier minder drama. Het is een ordelijk land, waar alles structureel opgelost is.”

Er zijn tegenwoordig zoveel andere overlegorganen, vult Maarten de Pous aan. “Wij zijn slechts een van de spelers.” De Pous voert samen met Kees Scheijgrond, een oud-marine-officier, het secretariaat van de 'Gespreksgroep Wassenaar'. Dit is een vaste club uit de zakenwereld die een keer per jaar samenkomt om te discussiëren. “Het zijn geen mensen van multi-nationals, maar er zitten wel personen bij die leiding geven aan bedrijven tot duizend werknemers”, aldus De Pous. “Het kwam een keer voor dat het bedrijf van iemand in de groep moest afslanken van 170 naar 100 werknemers. Die man zat daar natuurlijk mee en we hebben het daar toen uitvoerig over gehad.” Meestal zijn de onderwerpen minder concreet. Deze maand praat de gespreksgroep bijvoorbeeld over de vraag: “Welke geestelijke en ethische waarden en normen hanteren wij als manager?” Morele Herbewapening organiseert verder 'Ronde Tafel Gesprekken', waarvoor mensen uit de top van het Nederlandse bedrijfsleven worden uitgenodigd. De laatste keer waren onder andere H. Wijffels van de Rabobank en E. Wintzen (BSO Origin) daarbij aanwezig.

“Ik hoop”, zegt De Pous, “dat er dit jaar een paar meegaan naar Caux om met mensen van grote Japanse en Amerikaanse bedrijven te praten. De 'Caux Round Table', een groep uit het internationale bedrijfsleven die jaarlijks in Zwitserland bijeen komt, stelde vorig jaar de 'principles for business'vast, een gedragscode voor bedrijven. “De dingen die daarin staan klinken vaag”, geeft hij toe. “Zoiets als 'vraag je niet af wie er gelijk heeft, maar wat juist is', klinkt natuurlijk mooi, maar het in praktijk te brengen valt nog niet mee.”

Wat heeft een halve eeuw Morele Herbewapening opgeleverd, behalve veel mooie woorden? “Dat is een vraag die ons een beetje in verlegenheid brengt”, zegt Peter Hintzen. Na enig nadenken: “Er zijn een hoop individuen verrijkt. “Maar je kunt niet zeggen daar, op dat plein staat een monument. Je zaait planten en je snijdt bloemen. Maar die bloemen verwelken.”