Niet de feniks, maar de as

Theo Verhaar: Het badwater van de fotograaf. Uitg. De Harmonie, 49 blz.ƒ 29,50

Het zijn kale, maar treffende beelden die de vierde bundel van Theo Verhaar ons voorschotelt. In Stof bedekt niet (1991), Eeuwig tweede (1993) en Uitzaaiingen (1994) toonde hij zich al een karig dichter; maar de verzen in Het badwater van de fotograaf zijn soms niet meer dan vluchtige notities. Het tweede gedicht van de reeks 'Erfurt '94' is daarvan een mooi voorbeeld: Een lymfatisch blauw, / eerder gewonnen uit Waid, / kleurt de muur / van een kerkje. // En als een zwaailicht / de lucht / nadat het is opgehouden / met regenen.

De stilistische kaalslag en de ingehouden, haast nuchtere toon passen bij Verhaars onderwerp: de oorlogshaarden en puinsteden van Europa - van Berlijn tot Rotterdam, met een uitstapje naar Pompeï. In veel van deze steden is de feniks inmiddels uit zijn as herrezen, maar het is niet de feniks die Verhaar tot poëzie heeft aangezet - het is de as. De as en het puin die door de plastische chirurgie van de restauratie worden weggemoffeld. Maar Verhaar raakt niet verblind door het bladgoud van de wederopbouw. Hij kijkt zoals de fotograaf uit het titelgedicht van zijn bundel: 'Zijn zonnebril verdooft / de waarneming zelf niet, / maar de kleur.'

Het badwater van de fotograaf beschrijft de weke, ontluisterende achterkant van de nieuwe façades. Dan wordt Dresden een 'stad zonder gezicht / maar met voorname trekken'. Het blijft echter niet bij zulke korte typeringen. Waar Verhaar zijn objectief echt scherp stelt, ontstaan puntgave verzen, zoals 'Bapaume '94' of het superieure openingsgedicht van de cyclus 'Krakau '92': Naakt in wit ondergoed / staat de lakenhal op het plein. // Nu ze is bevrijd / van haar beduimelde kleren / leidt ze eindelijk een eigen leven, / als een dementerende moeder. // In haar buik / wordt stokoud speelgoed / aangeboden in de vloeiende taal / van de buikspreker / die zijn waar napraat.

Met het laatste gedicht, 'Ebhuilen' (een merkwaardig neologisme) weet ik niet zo goed wat ik moet. Taai slijm glinstert / in drooggevallen zand, noteert Verhaar. Na vijftien glashelder samenhangende stadsgedichten is dat een veel te karig en nodeloos slot.