Wat heeft heimwee voor u betekend?

Uit heimwee beet ik in mijn hoofdkussen. Ik lag in mijn eigen bed in mijn eigen slaapkamer naast mijn eigen vrouw. Wat heet eigen. Het bed was inwisselbaar, de kamer gehuurd, de vrouw van zichzelf. Meer thuis dan hier kon ik nergens zijn, en de andere kamers van de flat waren door boeken, voorwerpen, geschriften, prenten heel en al mijn wereld. Ik kon geen heimwee hebben naar de plek waar ik mij bevond. In halfslaap, zo moest het zijn, was ik bevangen geraakt door een gevoel dat ik niet voelde.

Nadenken is het beste in zo'n situatie. Het helpt niet om het lichaam te onderzoeken op pijn en ongemak, te woelen, te zuchten, obsceen te fantaseren. De slaap onthoudt zijn weldaden aan wie in zelfbeklag terneerligt. Inzicht, helderheid. Ik diende, alsof er een interviewster bij mijn bed stond, te antwoorden op de vraag: “Wat heeft heimwee voor u betekend?”

“Mevrouw”, zei ik, “een jongeman die tijdens de oorlog twee jaar balling is in Duitse werkkampen heeft ieder uur dag en nacht heimwee. Een volwassen man die uit vrije wil, gretig, geestdriftig maanden op reis gaat betrapt zich tenslotte beschaamd op heimwee. Een oud wordende man in ziekenhuis of verpleeghuis koestert zijn heimwee. Het is een gevoel dat onder alle andere gevoelens, zelfs de heftigste, traag blijft dreinen, een zielepijn die het aardigste heden bederft. Greshoff heeft mij als jongen, toen ik het ouderlijk huis nog nooit had verlaten, tot tranen toe geroerd met zijn Afscheid van een Oostinjevaarder: Die achterblijven kwijnen van verveling,/ Die weggaan zuipen zich van heimwee dood.”

“Wakker worden”, zei de interviewster, “zulke onzin kunnen we niet uitzenden.”

“U hebt gelijk”, zei ik, “en verdwijnt u, ik kan wel in mijn eentje denken.”

“U kunt helemaal niet denken”, zei ze, “dat weet u. Ooit hebt u geschreven, in navolging van uw broer trouwens, dat u in die werkkampen weliswaar heimwee had maar niet naar een onvruchtbaar jongensleven in het verwoeste Rotterdam. U had heimwee naar de toekomst.”

“U hebt gelijk”, zei ik, “het was niet eens heimwee. Met die man op reis klopt het ook niet. Hij werd moe. In landen zonder comfortabele wc's had hij vooral heimwee naar wc's. En het heimwee in medische instituten bevordert de genezing.”

“U begint het te begrijpen”, zei ze. “Heimwee is lui, lamlendig, even verwerpelijk als jaloezie. In sterke jaren hoopte u bij thuiskomst uw huis in puin te vinden. Zittend op uw comfortabele wc. U haatte heimwee.”

“Wat verbeeldt u zich wel”, zei ik. “U komt mijn slaapkamer binnen als een vriendelijke interviewster en u...”

Ze zei: “Ik neem in uw halfslaap de gedaanten aan die ik zelf verkies. Ik vraag u nogmaals en onvriendelijk: wat heeft heimwee voor u betekend?”

“Veel”, zei ik, “en volgens u ten onrechte. Straks gaat u mij wijzen op al die verjaagden en verdwaalden in de wereld. Doet u dat niet. Ik ben zo huisbakken en vastgeworteld dat ik me hun lot zeer aantrek. Mijn medeleven helpt hen geen steek, het heeft geen zin erover te praten.”

“Hebt u nooit heimwee naar de huizen waar u vroeger hebt gewoond?”, zei ze.

Ik zei: “Ik heb huizen bewoond in Rotterdam, Amsterdam en op het Griekse eiland Aegina. Een paar ervan waren veel interessanter dan deze flat. Ik heb nooit heimwee.”

“Ik ga”, zei ze, “met u is niet te praten.”

Ik was alleen, zelfs in halfslaap niet in staat tot een zinnig betoog, en zag de drie mannen voor me met wie ik een paar maanden een kamer had gedeeld. Ik was er voor revalidatie en wist dat ik naar huis zou gaan. Zij hoopten tegen beter weten in op herstel. Mijn heimwee stimuleerde, het hunne martelde.

“Jongen”, zei ik - ik moest toch tegen iemand praten nu de interviewster de deur achter zich had dichtgeslagen -, “jongen, val in slaap bij de herinnering aan een Grieks dorp. Er was altijd een oude man die Engels wilde spreken. Op blote voeten naar Amerika gegaan, uit heimwee teruggekeerd naar zijn dorp om er vis te eten en te sterven. Zij hielden dat lang vol, die oude mannen, en kregen uit verveling heimwee naar Amerika.”

Het lukte niet. “Jongen”, zei ik, “je hebt vanmiddag Ovidius gelezen, Trista, boek III, vertaald en toegelicht door Wiebe Hogendoorn. De dichter was in het jaar 8, eenenvijftig jaar oud, uit Rome verbannen en naar het provinciestadje Tomis aan de Zwarte Zee gestuurd. Daar schreef hij klaagzangen, tot aan zijn dood in het jaar 17, en stuurde die naar Rome. Hij vond Tomis een barbaars oord met een vreselijk klimaat, overdreef en stileerde zijn lijden, om keizer Augustus die hem had weggestuurd te vermurwen. Die briefverzen van hem janken van heimwee. Naar zijn vrouw, naar zijn vrienden, naar Rome. Hij dicht: 'Hoe zalig, o hoe onbeschrijfelijk gelukzalig/ Is hij die mag genieten van de stad.' Jankend van heimwee herinnerde hij zich paleizen, lentefeesten, gesprekken.”

De interviewster stond weer naast mijn bed en zei honend: “Uit zijn heimwee beet u in uw hoofdkussen?”

“De verzen zijn het waard”, zei ik, “maar gek is het inderdaad.”

Ze giechelde boosaardig, zei: “Je dichtte op je zeventiende al over heimwee naar gestorven zijn.”

“Kinderpraat”, zei ik.

“Ik waarschuw je”, zei ze, gierend van het lachen, “het kan gekker. Weet je nog waar Willem Kloos bang voor was? Wat hij bijna niet kon geloven? Juist: 'En dat doden niet in donker wenen/ om 't zoete leven met hun lief daarboven.' Zelfs de doden hebben heimwee. Mooi he? Als je weer in je hoofdkussen bijt uit medelijden met Ovidius, ga dan te rade bij Willem Kloos: 'En ween nooit meê, dat gij niet later ween/ Rond u-zelf krimpend, op de grond, alleen.' Slaap lekker.”Illustratie Casimir