Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Human interest

Rembrandt bij het grofvuil

In 1987 choqueerde de Wageningse historicus Ad van der Woude de wereld met zijn stelling, dat er van alle schilderijen vervaardigd door de Nederlandse meesters van de zeventiende eeuw, vandaag de dag minder dan één procent over is. Van der Woude overdreef schromelijk - zelfs meer dan tienmaal toe - maar hij had, in vergelijking met oudere denkbeelden, in wezen gelijk.

Het meest onverwachte deel van zijn berekeningen heeft stand gehouden. Dat is zijn schatting van de toenmalige kunstproduktie. Geen kunsthistoricus wilde in eerste instantie geloven dat er, zoals Van der Woude beweerde, in de noordelijke Nederlanden in de Gouden Eeuw tussen de 5 en 10 miljoen schilderijen geproduceerd zijn. Toch lijkt deze hypothese aardig te kloppen. Het hoge cijfer van 10 miljoen zou zelfs wel eens aan de lage kant kunnen blijken.

Van der Woude vergiste zich in het aantal stukken dat thans bestaat. Het zijn er veel meer dan de 100.000 die volgens zijn stelling nog in omloop moeten zijn om zijn cijfer van minder dan één procent te doen kloppen. In het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie vindt men foto's van zo'n driekwart miljoen schilderijen uit die tijd. Zelf ben ik geneigd te denken dat er meer dan een miljoen doeken en panelen uit de Gouden Eeuw over zijn.

Ook in afgezwakte vorm, blijft Van der Woude's stelling choqueren. Ook als slechts een luttele 80 of 90 procent van de trots onzer natie is verdwenen, is zoiets moeilijk te vatten voor een mens.

Calamiteiten zoals brand en scheepsrampen kunnen maar een klein deel van het verlies verklaren. Van der Woude zoekt de oorzaak in andere vormen van fysieke ondergang. Hij heeft het over vochtige muren en over schimmels die even graag een Vermeer als een oud stuk brood opvreten. Ik vrees dat de waarheid veel erger is. Het grootste deel van die verloren schilderijen is gewoon weggegooid.

Hoe kan zoiets gebeuren? Een stuk raakt uit de mode en uit het zicht. Het hangt in de meidenkamer of staat met tien andere tegen een muur op zolder. De vernis wordt donker en niemand kan die RHL in de hoek meer lezen. De kleinkinderen van de oorspronkelijke eigenaren overlijden kinderloos en de boel wordt door een nichtje geërfd, dat nauwelijks met kunst in aanraking is geweest. Eenmaal zover gekomen, is er niet meer nodig om het lot van een schilderij te bezegelen dan een verhuizing en hop, daar gaat weer een Rembrandt de vuilnisbak is. De kans dat zoiets in de loop van de tijd een keer gebeurt, is groter dan dat het nooit gebeurt. Een keer is genoeg.

De tentoonstelling Rembrandt & Van Vliet in het Rembrandthuis zet kracht bij aan dit deprimerende scenario. Bij de meer dan honderd (buitengewoon boeiende) prenten van de broodetser Johannes Gillisz. van Vliet zitten achttien stukken die composities van andere meesters reproduceren (één hiervan wordt niet meer aan Van Vliet toegeschreven, maar ik neem het nu even mee, net als de tentoonstellingmakers). In de gevallen dat wij het origineel kennen, blijkt dit een schilderij of olieschets te zijn. De veronderstelling dat dat voor de andere ook geldt, lijkt mij waarschijnlijk, al houdt één van de auteurs van de catalogus rekening met de mogelijkheid dat er ook tekeningen bij waren.

Veertien van deze achttien prenten reproduceren composities van Rembrandt. Daarvan zijn er vandaag in originele vorm nog maar acht over. Van de vier prenten naar schilderijen van andere meesters - Jan Lievens, Joris van Schooten en Pieter Fransz. de Grebber met vraagteken - is geen enkel origineel bewaard gebleven. In cijfers uitgedrukt is het overlevingspercentage van deze groep als geheel maar 44,4% en dat komt geheel en al op conto van de beroemdste onder hen. Het werk van de overige meesters heeft een overlevingspercentage van nul.

De kleine steekproef waar ik het nu over heb betreft een zeer bevoorrechte groep werken. Het gaat om gewaarmerkte originelen door bekende meesters die in alle naslagwerken staan. Zij werden gereproduceerd - op zichzelf een zeldzame distinctie - in prenten waar de naam van de meester op staat, prenten die in elke grote prentenverzameling aanwezig waren. Op het moment dat zij in prent werden gebracht, waren ze in bezit van eigenaren die heel goed wisten wat ze waard waren. Wanneer zelfs van een dergelijke groep werken meer dan de helft op den duur bij het grof vuil terechtkomt, wat is er te verwachten van de grote moot van tien miljoen stukken, waarvan meer dan de helft sowieso uit kopieën bestond?

Lezer, let op uw boedel.