De komst van de motverdelger; Elisabeth Eyers' verzet tegen de grootspraak

Elisabeth Eybers: Tydverdryf (Pastime). Uitg. Querido, 48 blz, Prijs ƒ 35,-.

Genoeg

Die uroloog, ortopedis

en 'n gewoner soort chirurg

doen alles om te vergewis

of jy van hulle gading is.

Dit gaan desnoods deur been en murg.

Deemoedig laat jy hul begaan

bevoeg om weg te snoei of te laat staan.

Hulle las 'n aantal meters aan die baan

wat jy moet aflê. Stadigaan

sal jy jou tog wil terugtrek in 'n burg

aan die einde van 'n doodlooplaan

en daar teen eie tempo taan

die verdere omweë spaarsaam oorgeslaan.

UIT: ELISABETH EYBERS, TYDVERDRYF/PASTIME

Hoe gaat het schrijven van gedichten in zijn werk? Volgens Elisabeth Eybers is er een heel eenvoudige methode voor. 'Jy strooi 'n handvol woorde op papier / en gaan na bed', zo begint zij haar gedicht 'Metode'. Later zal moeten blijken of de woorden ook in minder luchtige omstandigheden hun werk kunnen doen en of ze dan de juiste formulering zijn voor alles 'wat jy vrees, verdra of vier.' Het is een verrassende voorstelling van zaken. Meestal is er eerst een aanleiding en dan pas een gedicht, maar hier is de volgorde omgekeerd. Het gedicht, geschreven op een traditioneel dichterlijk moment, tussen waken en slapen, wordt pas achteraf, in de barre werkelijkheid, getest op nut en houdbaarheid.

'Metode' is een kort, soepel rijmend vers, waarin Eybers de zaak eenvoudig voorstelt, zoals meestal in haar gedichten over het dichten. Dat de theorie niet altijd overeenkomt met de praktijk, blijkt uit het anekdotische vers dat erop volgt. Daarin vertelt ze hoe er eens, in het begin van de jaren zestig, toen ze nog maar net in Nederland woonde, bij haar werd aangebeld. Aan de deur verscheen een onguur type, gekleed in een lange zwarte jas, zwarte schoenen en een zwarte hoed, die zich als volgt bekend maakte: 'Ik ben van de mot- en de houtwormverdelging.' Toen de verbaasde dichteres zijn diensten weigerde, trok hij zich met een rochelende zucht en een minachtende knik weer uit het trapgat terug. Een onschuldig alledaags voorval, maar met een zweem van dreiging. Jaren later dient het zich weer aan, in een angstdroom, nu met een veel onheilspellender betekenis:

Meer dan dertig jaar later

'n hartwankelingsdroom.

Wanneer klink die gerinkel, waar bly

die fantoom?

Wat roep hulle voor die mistroostige gees?

Nog nooit só ver van my aanvang

gewees.

Het staat er niet met zoveel woorden, maar het is wel duidelijk dat hier angstig wordt uitgekeken naar de terugkeer van de mot- en houtwormverdelger - nu in zijn ware gedaante: die van handlanger van de grote verdelger, de dood. En het ziet er naar uit dat er voor hem nu wel een klusje te klaren valt.

De gang van zaken is hier heel anders dan in 'Metode' werd voorgesteld. Niet eerst dichten, en dan slapen en vervolgens rustig wachten op een toepassingsmogelijkheid in de werkelijkheid, maar omgekeerd: eerst een onaangename gebeurtenis, jaren later de angstdroom en tot slot een gedicht dat mag proberen het dreigende onheil te bezweren. Beide gedichten laten twee benaderingen zien die in Eybers' poëzie vaak terug te vinden zijn: praktijk en theorie, werkelijkheid en poëzie, verwarring en het gladstrijken ervan. Er is het anekdotische gedicht dat de onvoorspelbare, vaak angstaanjagende grillen van het dagelijkse leven probeert te vangen. Daarnaast valt een neiging tot luchtige, liefst spitsvondige beschouwing te bespeuren, een vlucht in puntige, licht ironische verzen.

'Nog nooit só ver van my aanvang gewees', zo luidde de slotregel van het motverdelgersgedicht. Het is een andere manier om te zeggen: nog nooit zo dicht bij mijn einde geweest. Ouderdom, de naderende dood, verlies en verval zijn de onderwerpen, maar ze worden verbluffend helder onder ogen gezien, en zo al niet met montere berusting, dan wel met rake regels tegemoet getreden. 'Alles loop skitterend spaak'. Een gedeeltelijk verlamde aangezichtsspier heeft welbeschouwd alleen maar voordelen: de dichteres kan nu zonder te oefenen voor grapjas spelen, het biedt de toeschouwer vermaak en het leidt tot een toegeeflijke houding bij buitenstaanders. Een röntgenfoto kan nog zo onomstotelijk wijzen op kalkgebrek, dat hoeft de dichteres er niet van te weerhouden te luisteren naar het 'murmelen' van 'die fynvertakte windsels in my binnenste' - een dialoog waarbij het kalkarme skelet niets in te brengen heeft. In het hierbij afgedrukte 'Genoeg' wordt een beetje meewarig gekeken naar de pogingen van uroloog, orthopedist en chirurg om de levensweg van de patiënt nog met wat meters te verlengen. In de slotregels worden deze nijvere wegarbeiders toch min of meer terzijde geschoven. Met superieure ironie neemt Eybers daar alvast een voorschot op het huis dat zij binnenkort hoopt te betrekken: rustig gelegen aan het eind van een doodlopend straatje.

Wie zo helder en geestig weet te schrijven over het naderende einde heeft zich al min of meer losgemaakt van het normale tijdsbesef. Op die letterlijke manier moet de titel van de bundel ook gelezen worden. Eybers bevindt zich al vaak in het overgangsgebied tussen leven en dood, tussen waken en slapen, zo zegt ze in het titelgedicht. Met veel plezier verwijlt zij in dit 'limbusgebied', waar beelden van vroeger rondzwerven en nieuwe verbindingen aangaan, waar het heden niet meer bestaat en waar de tijd aldus letterlijk verdreven is. Dit spel, deze vorm van tijdverdrijf, 'dis al waarvoor ek nog deug'.

Eybers' poëzie is in nog wel meer opzichten overgangspoëzie. Haar stijl is de stijl van iemand die 'weifelend' en 'skoorvoetend' door haar gedichten gaat, met precieze en omzichtige formuleringen en met een opvallende voorkeur voor woorden die beginnen met on-, van ontoereikend en onhaalbaar tot onweerlegbaar en onomkeerbaar. In bijna ieder gedicht komt er wel één voor. Haar taal is de al vaak beschreven tussentaal die zich ergens tussen het Zuidafrikaans en het Nederlands in bevindt. Het vervreemdende effect daarvan wordt in deze bundel nog versterkt door de aanwezigheid van een derde taal. Alle twintig gedichten zijn door Eybers van een vrije vertaling in het Engels voorzien, met als merkwaardig gevolg: verheldering in het klein (want soms biedt de Engelse pendant een oplossing voor een probleem in de Zuidafrikaanse versie), maar vervaging en verdoezeling in het groot. Het is een vreemde sensatie om te zien dat alles wat met zoveel precisie gezegd wordt op de tegenoverliggende bladzijde opeens ook heel anders gezegd blijkt te kunnen worden.

Hoe heet het slotgedicht van een bundel die in het teken van het naderende einde staat? 'Famous last words', dan wel 'Gevleuelde woorde'. Opnieuw neemt Eybers hier een voorschot, nu op het laatste gedicht dat ze ooit zal schrijven. En opnieuw doet ze dat niet zonder ironie en dubbelzinnigheid. Haar laatste gedicht gebruikt ze nu juist om te vertellen dat iemands 'valreepwoorde' in de praktijk zelden gevleugeld klinken. En van haar hoeft ook nu geen 'sienersblik' verwacht te worden. Zij blijft tot aan dit (weliswaar gespeelde) einde toe volharden in een relativerende houding:

Vlak voor ek ophou met asemhaal

toe maan ek myself: nie so teatraal...

Het dubbelzinnige is dat deze laatste woorden, die geen beroemde laatste woorden willen zijn, intussen wel degelijk gevleugeld zouden kunnen worden. Juist in hun ironische relativering vormen ze een karakteristiek besluit van Eybers' oeuvre, van een levenslang volgehouden verzet tegen grootspraak.

In Tydverdryf / Pastime wordt van de gedichten eerst de Zuidafrikaanse en dan de Engelse tekst gegeven, maar bij deze laatste twee gedichten is die volgorde omgedraaid. Ik denk dat Eybers haar bundel liever met een Zuidafrikaans gedicht wilde besluiten, zeker nu het om zo'n veelbetekenend slotgedicht ging. En vermoedelijk ook omdat de slotregels in de Engelse vertaling te verbijsterend waren om mee te eindigen:

The last thing I said to myself

when I died

was: don't be so melodramatic.

Het zijn lugubere regels: alsof de dichteres al vanuit de dood tot ons spreekt. Waarom deze regels in de verleden tijd vertaald? Omdat het moest rijmen op implied en relied, zullen we maar denken.