Drie torenwachters in het 'Manhattan aan de Maas'

Gebouw 1: kantoortoren Generale Bank Nederland aan de Blaak in Rotterdam. Architect: Helmut Jahn bureau Murphy/Jahn in Chicago. Gebouw 2: Schielandtoren met 32 woonlagen in Rotterdam. Architect: Architecten CIE Amsterdam, Pi de Bruijn. Oplevering beide: nazomer 1996.

Voor Rotterdam is 'Manhattan aan de Maas' wat 'Venetië van het noorden' is voor Amsterdam. Alleen met dit verschil dat de aanduiding 'Venetië van het noorden' al bestaat sinds de zeventiende eeuw en 'Manhattan aan de Maas' zo'n tien jaar geleden werd uitgevonden. Met de mini-wolkenkrabbers aan het Weena is de Rotterdamse vergelijking begonnen en met het hoogste gebouw van ons land, naast het Centraal Station - het honderdvijftig meter hoge hoofdkantoor van Nationale Nederlanden ontworpen door Abe Bonnema - werd de vergelijking een gemeenplaats. En is het met een uitdrukking zover gekomen, dan verdwijnt deze uit het volwassen taalverkeer.

Nu de Kop van Zuid in Rotterdam vooral in verticale richting gestalte krijgt, is de vergelijking 'Manhattan aan de Maas' weer in genade aangenomen, nu specifiek geldend voor dit opschietend stadsdeel. De voltooiïng van de nu al beroemdste brug van Nederland, de Erasmusbrug ontworpen door Ben van Berkel, die de verbinding vormt tussen de Kop van Zuid en het centrum van de stad Rotterdam, heeft de aandacht afgeleid van een ander gebied in Rotterdam waar in korte tijd een metamorfose heeft plaatsgevonden.

Op een relatief klein terrein tussen Blaak en Coolsingel, rondom het zeventiende eeuwse Schielandshuis, is een aantal torens verrezen dat aan de skyline van Rotterdam de zoveelste nieuwe tekening heeft gegeven. Het zevenënnegentig meter hoge hoofdkantoor van de Robecobank, een zwart, rechthoekig gebouw van de architect Wim Quist, staat er al een jaar of vier. Maar de kantoortoren die is bestemd voor de Generale Bank Nederland en werd ontworpen door Helmut Jahn van het Amerikaanse architectenbureau Murphy/Jahn, en de woontoren van de ontwerpershand van Pi de Bruijn zijn zó recent dat hun voeten nog in de steigers staan.

Deze krant heeft de stelregel dat een gebouw, net als een boek of ander kunstwerk, pas werkelijk kan worden beoordeeld als het is voltooid. Van deze regel wordt hier afgeweken omdat het beeld van het gedeeltelijk nieuw gebouwde ensemble in Rotterdam zich dermate nadrukkelijk manifesteert, dat de grond voor opinie betrouwbaar genoeg lijkt. Het meest verrassende is dat het oude, weelderige Schielandshuis waarin het Rotterdams Historisch Museum is gevestigd, op geen enkele manier in haar feestelijke waardigheid wordt aangetast door de moderne torengebouwen die als lijfwachten om haar heen zijn gegroepeerd. Integendeel, de zelfverzekerde torens van Wim Quist, Helmut Jahn en Pi de Bruijn bewaken de stilte binnen het gebied dat door hun reusachtige gestalten wordt afgebakend. En niet alleen het Schielandshuis met de parkachtige tuin profiteert van de intieme, stedelijke ruimte die zo is ontstaan. Ook het modernistische 'Erasmushuis' waarin de HBU onderdak heeft gevonden en waarmee architect W.M. Dudok in 1939 een visuele afsluiting van de Coolsingel creëerde, geniet zichtbaar van het beschermde domein.

Met een deel van het toekomstig onderkomen van de Generale Bank Nederland heeft Helmut Jahn hetzelfde gedaan als Dudok in 1939 met de laagbouw-vleugel van het HBU-gebouw: hij plaatste het op hoge kolommen om het zicht op het erachter gelegen Schielandshuis niet te ontnemen. Een uitbouw tussen de vierde en de vijftiende verdieping van het in totaal dertig verdiepingen hoge gebouw werd door Jahn op een stalen constructie van vakwerkspanten en kolommen gezet. De uitbouw, die is bekleed met bleekgroen glas en een modieuze schuine gevel toekeert naar het Schielandshuis, heeft al een bijnaam gekregen. De bult boven de ingang hangt inderdaad als een loodzware 'rugzak' aan de romp van het hoofdgebouw.

Met de honderdvijf meter hoge romp is iets eigenaardigs aan de hand. Bekijken wij hem vanaf de Blaak dan is hij slank en lijkt hij slechts te bestaan uit een gebogen voorgevel die is bekroond met een breedgerande hoed zonder bol. Aan deze kant markeert een stalen hekwerk in de vorm van een overstek de top van het elegante gebouw. Maar kijk je vanaf de Coolsingel naar de creatie van Jahn, die in de jaren tachtig de skyline van Chicago met zijn wolkenkrabbers ingrijpend veranderde, dan zie je een vervelende, grijzige, karakterloze massa. Uit deze richting bekeken, maakt het gebouw een matte, sterk gedateerde indruk, niet in de laatste plaats door de nadrukkelijk aanwezige vakwerkspanten die de volumineuze rugzak moeten schragen.

De woontoren van Pi de Bruijn staat pal naast het Schielandshuis en is één meter hoger dan het kantoorgebouw van Helmut Jahn ertegenover. De 'Schielandtoren' zoals de wolkenkrabber van De Bruijn is gaan heten, bevat tweeëndertig woonlagen en biedt rondom een afwisselend beeld, maar toont zich van alle kanten even rank en elegant. De hoofdkleuren bruin en roodbruin zijn afkomstig van de twee verschillende soorten baksteen die voor de gevels zijn gebruikt. Scherpgepunte, driehoekige erkerschachten doorbreken het rode bruin met verticale aaneenrijgingen van lichtgekleurde raampanelen. Vooral de onregelmatige plattegrond maakt het woongebouw, als een veelkantige ster, tot een stralende verschijning die tegenwicht vormt tegen het zware, ernstige gebouw van Wim Quist dat het Schielandshuis aan de andere zijde flankeert.

De ruimtelijke geborgenheid die dankzij de torens van Quist, Jahn en De Bruijn aan het Schielandshuis en Dudok's bankgebouwtje een gastvrije omgeving biedt, lijkt onopzettelijk te zijn ontstaan. Die schijnbare toevalligheid is kenmerkend voor de architectonische en stedebouwkundige cultuur in de energieke werkstad Rotterdam. Want denk maar niet dat die weldadige stilte in het hart van de orkaan het gevolg is van een geniale, samenhangende visie.

    • Max van Rooy