Dit is een artikel uit het NRC-archief

Onderwijs

Cabaretier Theo Maassen: Ik zie bijna nooit iemand lachen

Cabaretier Theo Maassen (29) spreekt een opvallend jong publiek aan. Zijn nieuwe voorstelling 'Neuk het systeem' kent maar één ernstig moment. Maar Maassen wil extremer worden. Het zwarte wereldbeeld van een cabaretier die de boodschap al heeft, maar nog worstelt met de teksten: 'Er gebeuren dingen op de wereld die het waard zijn om terroristische acties voor te ondernemen.'

Theo Maassen: “Ik ben altijd ontspannen als ik optreed. Ik ben wel eens zenuwachtig geweest bij tv-opnamen. Dan word ik chagrijnig en narrig, en heb ik geen leuk contact meer met het publiek. Ik ken acteurs die moeten kotsen voor ze opmoeten. Onbegrijpelijk dat ze dat blijven volhouden. Als ik mezelf steeds zou moeten overwinnen...”

“De truc van het spelen, en zeker van het improviseren, is: de combinatie van ontspanning en concentratie. Het lijkt tegenstrijdig, maar als je dat kunt combineren, werk je optimaal. Ik improviseer graag en veel. Ik ken de risico's - die zijn inherent aan de improvisatie -, maar ik accepteer ze graag. Als het minder goed gaat, zeg ik dat ook tegen het publiek - dan wordt het vanzelf weer leuk. Ik praat ook ècht tegen iemand, ik doe niet alsof. Ik speel het programma honderd keer tussen december en juni - daarom moet het ook voor mezelf leuk en spannend blijven.”

Twee jaar geleden in de kleine zaal van de Utrechtse schouwburg. Een jonge, tamelijk onbekende cabaretier houdt zijn publiek met opvallend gemak in de ban van zijn humor. Waaraan herken je talent? Misschien nog wel het meest aan de ongedwongenheid, de schijnbare achteloosheid.

Theo Maassen doet op het eerste gezicht niet veel bijzonders. Hij staat er, inderdaad, ontspannen bij, ondanks die onhandige lengte van 1.92, en hij praat tegen zijn publiek alsof het kennissen zijn op een feestje. Soms stelt hij een zeer rechtstreekse vraag - bijvoorbeeld over iemands seksleven - en begint hij een gesprekje dat alle kanten op kan gaan. Weinig cabaretiers durven zó los te komen van hun tekst.

Daarna trekt hij zich weer terug in zichzelf en praat over zijn Brabantse jeugd, over de Brabantse mentaliteit (“Wij zeggen maar altijd zo: “Het enige goeie dat er uit Amsterdam komt, is de trein naar Eindhoven”), over masturbatie, over Berry van Aerle (“De enige voetballer in de eredivisie die netjes zijn contributie betaalde”), over discriminatie (“Ik discrimineer niet, voor mij zijn alle buitenlanders hetzelfde”).

Dat waren onderwerpen uit zijn eerste programma, Bepaalde dingen. Sinds kort treedt hij met zijn nieuwe programma op, Neuk het systeem. De critici waren zeer lovend, het merendeels jonge publiek stroomt in groten getale naar de zaaltjes en zalen.

Wie had het ooit kunnen denken: Neerlands hoop op cabaretgebied komt tegenwoordig uit Brabant. Vorig jaar was er de doorbraak van Hans Teeuwen, nu is Theo Maassen in opkomst. Collega Erik van Muiswinkel zei onlangs in Het Parool: “Teeuwen heeft een krankzinnig succes. Of ik jaloers ben? Ach, ik kan de zon wel in het water zien schijnen hoor. Theo Maassen vind ik misschien nog wel beter dan Hans Teeuwen.”

Teeuwen, inmiddels woonachtig in Amsterdam, en Maassen kennen elkaar goed. Ze zaten op dezelfde theateropleiding van de Hogeschool Eindhoven - Teeuwen een klas lager - en ze raakten na hun schoolperiode bevriend. Maassen won in 1990 het Camerettenfestival, de landelijke cabaretwedstrijd in Rotterdam, Teeuwen zegevierde een jaar later.

“We doen heel verschillende dingen”, zegt Maassen. “Hans is ontzettend goed. Het is bijzonderder wat hij doet. Vernieuwender qua vorm. Het is grof, gevaarlijk, heftig. Het past heel goed bij deze tijd. Denk maar aan de films van Tarantino. Hans is ook beter in typetjes en stemmetjes, hij is muzikaal, kan goed zingen.

“Bij mij is het sober en vrij naturel. Naar Hans zit je te kijken als naar een fenomeen, terwijl het publiek in mij meer zichzelf zal herkennen: gewoon een jongen die zich probeert te handhaven.”

Is Teeuwen ambitieuzer dan jij?

“Ik denk dat Hans nog meer behoefte aan erkenning heeft dan ik. Hij wil echt horen dat hij de beste is. Rivaliteit? We zijn ons er erg van bewust dat we met andere dingen bezig zijn. Volgens mij vinden we het beiden het prettigst als de ander goed gerecenseerd wordt.

“Ik ben er nog niet. Ik denk trouwens dat ik er nooit ben. Hans had heel snel de vorm gevonden die het best bij hem past. Ik moet me nog verder ontwikkelen, ik vermoed dat ik steeds beter ga worden. Ik ben absoluut trager dan Hans. Als hij een ideetje heeft, gaat hij een middagje werken met zijn regisseur en dan heeft hij aan het einde van de avond zes, zeven minuten voor zijn nieuwe programma. Als ik één grapje per dag verzin, is het veel.

“Ik wil nog eens een programma maken dat volledig op improvisatie berust. Daarvoor moet ik een verhaal, een structuur, verzinnen waarin dat mogelijk is. Ik zou dat alleen in kleine zalen willen spelen.”

Waarom zing je niet?

“Dat zal ik nooit doen. Als ik zing, klinkt mijn stem als bij de serieuze liedjes van André van Duin. Ik durf het ook niet. Het is heel raar. Iemand als Karin Bloemen kan niet integer praten, maar wel integer zingen. Bij mij is het andersom. Ik bedoel nu met integer: iets echts, vanuit je buik. Als ik zing ben ik me ook zo bewust van wat ik doe. Daar heb ik nooit last van als ik tegen de zaal praat.”

Hij ontvangt me in zijn appartement in het centrum van Eindhoven. 'Appartement' is eigenlijk een al te deftig woord voor het verbouwde leslokaal in de vroegere muziekschool. De chaos regeert er met straffe hand: kledingstukken, schoenen, lege glazen en bladen liggen in verbluffende opeenhopingen kriskras over de vloer. Het kan niet missen: hier woont een vrijgezel.

Ook al is hij van origine geen Brabander, toch voelt hij zich in Brabant het meest thuis. “Het is leuk om af en toe in Amsterdam te zijn, maar ik heb het er verder niet zo op. Men is er zo bijdehand. Allemaal die enorme ego's...”

Hij ziet er vermoeid en slaperig uit. De avond tevoren heeft hij, vergezeld door zijn lichttechnicus Hans Ackermans, aan het Vrijthof in Maastricht opgetreden voor zeshonderd mensen. Diep in de nacht thuis, slapen lukt dan de eerste uren niet.

“Zeshonderd mensen die 25 gulden betalen om te komen kijken naar iets wat ik zomaar een beetje bij elkaar heb verzonnen. Dat vind ik geweldig, maar tegelijk kan ik er slecht van genieten. Zo'n eindapplaus... sommige artiesten kicken erop, maar ik denk: als het niet goed was geweest, hadden ze ook geklapt. Het zegt mij niet zoveel.

“Ik houd wel van mijn werk, maar ik ben geen workaholic. Ik wil ook niet meer dan drie avonden per week optreden. Er moet tijd blijven voor andere dingen. Bij de meeste collega's proef ik een soort nostalgie die ikzelf niet voel. In hetzelfde theater staan waar Toon Hermans heeft gestaan - dat doet me niets.”

Hij vertelt over zijn jeugd in Zijtaart, een 1.500 inwoners tellend kerkdorp van Veghel, twintig kilometer boven Eindhoven. Hij groeide er op, nadat hij met zijn ouders de eerste jaren van zijn leven in Oegstgeest had doorgebracht.

“Mijn vader werkte als manager bij de Mars chocoladefabriek. Het lag in de lijn der verwachting dat ik ook zoiets zou gaan doen, maar ik wilde niet deugen op school. Elke keer kreeg mijn vader op de ouderavond te horen: hij kan het wel, maar hij doet geen zak. Daar heb ik veel ruzie met hem over gehad. Het heeft gelukkig niet tot een breuk geleid. Hij is van de generatie die het belangrijk vindt dat je geld hebt. Ze hebben de oorlog meegemaakt - mijn vader, zoon van een KNIL-militair, heeft in Indonesië nog in het Jappenkamp gezeten. Hij was bang dat ik een blaaskaak werd die verder niets kon en wilde.

“Maar ik heb zijn leven nooit gewild. Ik kan me nog goed herinneren - ik was zes jaar - hoe hij na zijn werk thuiskwam en meteen zijn gemakkelijke kleren aandeed. Ik wilde later geen stropdas. Ik heb nog steeds geen zin om dingen te doen die ik niet leuk vind. Ik zie zoveel mensen om me heen die ontevreden zijn over hun werk of over hun relatie. Kappen ermee! Je moet niks tegen je zin doen, hooguit voor een dag of een week. Dat heb ik altijd heel sterk gehad; geen concessies doen aan wat ik wil.

“Bij elkaar heb ik zeven jaar op de middelbare school gezeten: zes jaar havo en een jaar vwo. Maar ik heb wel mijn diploma! Ik vraag me nog wel eens af: waarom ben ik eigenlijk elke dag naar school gegaan? Alleen Nederlands vond ik leuk, en gym. Ik ben altijd goed in sport geweest, vooral handbal. Ik had zoveel energie, en ik zat maar met die lange benen in dat kleine schoolbankje.

“Het extraverte heb ik van mijn moeder, zij is ook een goede amateur-actrice. Van mijn vader heb ik het nuchtere, bijna verlegene. Die verlegenheid heb ik later overwonnen. Ik heb mijn humor ontwikkeld dankzij mijn verlegenheid. We zijn nogal eens verhuisd - ik heb ook nog een jaar in Duitsland gewoond - en dankzij mijn humor kon ik me goed handhaven in een nieuwe groep. In een psychologische test in de vierde klas van de lagere school werd al gesteld: 'Theo weet alles naar het humoristische te relativeren'.

“Op school had ik wel stiekem de wens om iets met toneel of cabaret te doen, maar ik praatte daar nooit over, ik schaamde me er een beetje voor. Ik hoorde als twaalfjarige jongen bij kennissen elpees van Neerlands Hoop en ik dacht: dit is ècht goed. Wat later zag ik de eerste soloshows van Freek de Jonge. Die vond ik geweldig. Ze waren stimulerend, maar tegelijk dacht ik: dit kan ik nooit. Had Freek nog maar die gedrevenheid van vroeger - zijn laatste programma's vond ik niet zo goed.

“Ik werd afgewezen op de toneelschool van Maastricht, en terecht: ik moest een monoloog doen en ik wist niet eens wat het was. Op de theateropleiding in Eindhoven waren veel leerlingen die mooi konden bewegen en zingen. Ik kon bijna niks, behalve improviseren. Mijn docent Martijn Bouwman - nu mijn regisseur - spoorde me aan tot schrijven. In het vierde jaar moesten we stage lopen bij een theatergezelschap. Ik had er helemaal geen zin in. Wat moest ik met zo'n regisseur die mij steeds dwong bepaalde dingen te doen? Ik besloot mijn eigen programma te maken. Daarmee won ik het Groninger studenten cabaretfestival en kort daarna Cameretten.”

“In het begin stond ik zekerder op het toneel dan nu”, zegt hij.

Hij heeft een moeilijk jaar achter de rug. Het wilde niet vlotten met zijn nieuwe programma, de try-outs moesten maanden worden uitgesteld.

“Het was niet af. Ik had privé-problemen. Het ging uit met mijn vriendin met wie ik zeseneenhalf jaar verkering had gehad. Ik werd heel depressief. Ik kan dan 's avonds niet meer vrolijk op het toneel staan.

“Dit is voor mij een beladen programma geweest. Bij mijn vorige programma wist ik niet waar het over moest gaan, ik bracht gewoon wat teksten bij elkaar. Bij dit programma wilde ik het duidelijk ergens over hebben, maar ik had nog niet zoveel teksten.”

Toch ben je ook in dit programma geen uitgesproken moralist.

“Een subtiele moralist misschien.”

Youp van 't Hek is het explicieter.

“Bij hem vind ik het lelijk, hij legt het er zó dik bovenop. Je moet de dingen niet te letterlijk benoemen. Daardoor worden ze ook minder waar. Als je met zoveel woorden zegt dat het misgaat met de wereld - wat absoluut waar is - werkt het voor mij niet meer. Ik hou ook niet van dat type actuele cabaret, zoals Youp van 't Hek in zijn oudejaarsconférence deed met al die verwijzingen naar O.J. Simpson en Dick Jol - allemaal onbelangrijke zaken. Het is voor mij ook niet zo herkenbaar. Van 't Hek maakt cabaret voor mensen met een beetje een burgerlijk leven, zij herkennen er een hoop in.”

Wat vind je van Paul de Leeuw?

“Ik houd van zijn uitstraling, zijn brutaliteit. Hij is heel aardig - ik heb hem een paar keer ontmoet - maar ik vind niet dat hij een goede smaak heeft, net zomin als de mensen met wie hij zich omringt. Het is allemaal een beetje plat en vulgair, en gericht op de massa. Hij is een supertalent, maar hij doet er niet genoeg mee.”

Waar wil je het in 'Neuk het systeem' vooral over hebben?

“Het gaat over volwassen worden, en over vooruitgang.”

Op vooruitgang ben je niet erg gesteld. Je beschrijft de gezichten op een oude voetbalfoto die een onschuld hebben die je niet meer tegenkomt.

“Dit is de tijd van de vooruitgang. Op het gebied van de massacommunicatie gebeurt zoveel dat er een overkill aan informatie ontstaat. Er worden steeds meer apparaten en produkten gemaakt. Daarvoor zullen we de tol moeten betalen - we helpen het milieu naar de kloten - maar het schokkendste van alles is dat we er niet eens echt van genieten. Mensen zijn nu alleen maar bezig met het scheppen van voorwaarden om gelukkig te zijn - niet met gelukkig zijn.

“Drie keer in de week ben ik in Nederland in een andere stad. Ik zie bijna nooit iemand lachen. Mijn vader moest in Indonesië mensen uitleggen wat zijn zoon voor de kost deed. Iemand die mensen aan het lachen moest maken? Lachen die mensen daar dan niet gewoon? Ze konden niet begrijpen dat daar iemand voor betaald werd. De mensen hier zijn zo weinig open en onbevangen. Ze luisteren of vertellen niet graag, ze durven elkaar niet aan te raken, altijd is er dat wantrouwen: wat wil hij van mij?”

Je begint je programma met spontane live-gesprekken in 'de babbelbox' met mensen die niet weten dat ze in de zaal hoorbaar zijn.

“Dat beeld met die 06-lijnen, waar de PTT miljoenen aan verdient, zegt zoveel over de eenzaamheid en de leegheid. Mensen babbelen voor een gulden per minuut in zo'n box. Ze maken geen praatje meer met hun buurman, maar ze hebben wèl behoefte aan contact. Met een beetje geluk krijgen ze hun eigen buurman aan de lijn, maar dan voor een gulden per minuut. Ik heb in mijn programma één keer een vrouw aan de lijn gehad die al vier jaar in het ziekenhuis lag. Ze zou er nooit meer uitkomen, zei ze. Ik heb haar gewoon laten uitpraten - een vreemd begin voor een cabaretprogramma.

“En dan die commercie die alles kapotmaakt. Nu moet er weer een sportnet komen. Vroeger wees men afkeurend naar Amerika: daar aten de mensen terwijl ze tv keken, daar werden programma's voor reclame onderbroken en je had er wel tientallen kanalen. Maar hier begint het ook Amerika te worden. Het is toch van een stompzinnigheid... Dat is voor mij het enge van vooruitgang: dat mensen steeds dommer lijken te worden.

“Ik merk soms dat ik hele radicale gedachten heb. Er gebeuren dingen op de wereld die het waard zijn om oorlog voor te voeren of terroristische acties voor te ondernemen. Ik vraag me zelfs af of democratie nog wel de beste politieke vorm is. Als er één groep is die niet zou mogen bepalen hoe het verder gaat met de wereld, zijn het toch wel de meeste mensen?”

Hij laat zich niet overtuigen door mijn tegenwerpingen. “Ik vind het allemaal zo schokkend. De wereld heeft zulke slimme, fantastische filosofen gekend. Wat is er met al die wijsheid gebeurd? Mensen kunnen met computers omgaan, maar wijs zijn ze nog steeds niet.”

Hij grijpt naar de voorpagina van de Volkskrant van die morgen. Mismoedig: “Hier staat toch helemaal niet waar het over gaat in de wereld. Allemaal onzin over de WAO en het Nederlandse onderwijs. Niets over het feit dat tweederde van de mensheid onder de armoedegrens leeft, dat er mensen gemarteld worden...”

Je verbaast me: je programma is zoveel lichter van toon dan wat je nu zegt.

“Mijn nieuwe programma had eigenlijk extremer moeten worden, maar ik kon het nog niet: voor mezelf niet en evenmin voor mijn publiek. Ik denk dat mijn werk steeds geëngageerder zal worden. Ik wil mensen prikkels geven zodat ze even anders naar zichzelf en de wereld kijken.”

Het klinkt naar de jaren zestig. Besef je dat?

“Ik weet het niet.”

Voel je je verwant met bepaalde oosterse filosofieën?

“De tao vind ik interessant. Wat me erin boeit, is de zuiverheid en de waarachtigheid, maar ook de liefde en het plezier. Politiek zegt me daarentegen niets. Behalve één keer op Groen Links heb ik verder nooit op iets gestemd.”

Gebruik je drugs?

“Ik experimenteer er heel voorzichtig mee. Ik blow regelmatig en ik neem af en toe een xtc-pilletje. Ik heb ook wel eens lsd gebruikt. Mijn nummer over de feestredenaar die een afscheid nemende chef toespreekt, is onder invloed van lsd ontstaan. Ik was met Hans Teeuwen en Martijn en Pieter Bouwman op vakantie in Zeeland. Daar was na het EK voetbal de inhuldiging van Peter van Vossen door de loco-burgemeester van Zierikzee. Aan hen heb ik ook mijn programma opgedragen. Van Vossen werd in die toespraak - net als in mijn nummer - eerst nogal opgehemeld, maar vervolgens heel geniepig afgebroken. 's Avonds, ik had wat lsd op, zijn we naar het strand gegaan en heb ik urenlang de loco-burgemeester van Zierikzee nagedaan. Voor veel mensen zou het goed zijn als ze af en toe iets gebruikten. Mensen die verstard zitten in hun eigen mechanisme.”

We praten over een ander bekend thema uit zijn programma's: seks. Hij lokt het publiek op dit gebied graag uit zijn tent. In Bepaalde dingen inviteerde hij meisjes hem op het toneel te komen tongzoenen.

“Drie, vier meisjes hebben het daadwerkelijk gedaan. Ik heb het één keer in Klein Bellevue in Amsterdam meegemaakt dat een meisje begon te tongzoenen en meteen haar bloes uitdeed, zonder dat ik erom vroeg. Ik dacht: ik kan niet achterblijven, dus ik deed mijn t-shirt uit en mijn broek omlaag. De zaal lag krom. Ik heb dat meisje zeker een minuut of tien vastgehouden en intussen mijn conférence over seks gehouden. Heerlijk.

“Het gaat er mij niet alleen om mensen in verlegenheid te brengen - integendeel soms. Als ik in mijn nieuwe programma aan een jongen vraag of hij ook wel eens te snel is klaargekomen, dan heeft dat ook iets geruststellends. Heel veel mannen zijn immers onzeker over hun seksuele capaciteiten. Ik vraag die dingen ook niet aan onzekere, bange mannetjes.”

Neuk het systeem kent eigenlijk maar één ernstig moment: als hij over de dood van zijn drie jaar jongere broer Ruud praat. Ruud prijkt ook groot op zijn affiche: als een jongetje dat, natgespoten door de tuinslang, in zijn zwembroekje dromerig naar zijn fotograferende vader kijkt.

“Ruud was drie jaar jonger dan ik. Tien jaar geleden - hij was zestien - is hij aan leukemie overleden. Na een ziekbed van anderhalf jaar. Ik hoefde zelf niet op het affiche, dan zit je steeds naar je eigen kop te kijken. Deze foto is zó ontzettend mooi. Als ik het theater nader waar ik moet optreden, kan ik nu denken: fijn, hij is er al.

“Ik vond het heel moeilijk om iets over zijn dood te maken. Het mocht niet sentimenteel worden. Er zit nu een prettige overgang in. Ik vertel hoe hij me met zijn allerlaatste ademhaling even fopt - ik dacht dat hij al dood was -, en dan ga ik verder met: waarom doen we niet datgene wat het fijnste is? Waarmee ik wil zeggen: tijd is een schaars goed, maak het jezelf en je omgeving in die korte periode zo aangenaam mogelijk.”

Maar je zet je af tegen Youp van 't Hek die zegt: 'Leef alsof het je laatste dag is'.

“Omdat dat bullshit is! Mensen moeten juist vooruit leren denken. Wat zijn de gevolgen van hun daden over tien jaar en meer? Het is juist heel erg dat de meeste mensen al leven alsof het hun laatste dag is.”