Niet opzij

Midden in het bos kwamen de tor en de neushoorn elkaar tegen. Het was een smal weggetje waarop ze liepen en ze konden elkaar niet passeren.

“Ik ga niet opzij”, zei de tor.

“Ik ook niet”, zei de neushoorn.

Ze keken elkaar aan.

“Wat nu?” vroeg de tor.

“Ja, wat nu”, zei de neushoorn.

Het was midden op de dag. De zon scheen tussen de bladeren van de bomen naar beneden en in de verte ruiste de rivier.

“Laten we even gaan zitten”, zei de tor.

“Dat is goed”, zei de neushoorn.

Ze gingen op het pad zitten en dachten na.

“Ik ga in elk geval niet opzij”, zei de tor zo nu en dan, voor alle zekerheid. “Als je dat maar niet denkt!”

“Ik ook niet”, zei de neushoorn. “Als jij dat ook maar niet denkt.”

“We zouden boos kunnen worden”, zei de tor, na enige tijd, “en op elkaar af kunnen stormen.”

“Dat zou kunnen”, zei de neushoorn.

“Eén van ons moet dan opzij gaan. Dat moet.”“Ja.”

“Maar dat ben ik in elk geval niet!” riep de tor. Hij stond op en probeerde zo boos mogelijk te kijken.

“Ik dan soms wel”, zei de neushoorn dreigend, terwijl hij ook opstond.

“Nee”, zuchtte de tor en hij ging weer zitten.

Een tijd was het stil.

“Heb jij soms trek in wat zoet gras?” vroeg de tor toen.

“Ja, graag”, zei de neushoorn.

De tor had een pot met gesuikerd gras bij zich. Die aten ze samen op.

Daarna vertelden ze elkaar waarheen ze op weg waren.

“Maar we gaan niet opzij voor elkaar”, zei de tor.

“O nee”, zei de neushoorn. “Dat doen we niet.”

Ze sloegen elkaar vrolijk op de schouders en maakten zelfs een paar danspassen, op het smalle weggetje, midden in het bos. Maar zonder om elkaar heen te draaien. Daar letten ze goed op.

Toen het schemerig werd besloten ze maar naar huis te gaan.

“Dag tor”, zei de neushoorn.

“Dag neushoorn”, zei de tor.

Ze draaiden zich om.

“Maar als ik je weer tegenkom ga ik weer niet opzij!” zei de tor nog. Hij was even bang dat de neushoorn misschien iets anders zou denken.

“Ik ook niet!” riep de neushoorn. “Geen sprake van!”

Toen liepen ze elk een andere richting uit, naar huis. Ze probeerden tussen hun tanden te fluiten en deden af en toe nog even, alleen, één van de danspassen die ze samen op het midden van het weggetje hadden gemaakt.