Wetenschappelijke fundering voor de huidige toetsen ontbreekt grotendeels; Medische keuring moet strenger worden getoetst

De discussie over medische keuringen is in volle gang. De rechtspositie van sollicitanten staat onder druk, en het belang van medische keuringen neemt toe. Dat maakt een nadere bezinning op de wetenschappelijke waarde van de medische keuring noodzakelijk.

De risicoselectie door werkgevers lijkt toe te nemen. Gehandicapten en chronisch zieken hebben het altijd al moeilijk gehad op de arbeidsmarkt. Door invoering van de wet Terugdringing Ziekteverzuim (wet TZ) in 1994 en recent de Wet Uitbreiding Loondoorbetalingsplicht bij Ziekte (WULBZ), gecompleteerd met gedeeltelijke privatisering van de WAO, krijgen sollicitanten het extra moeilijk. Een hoog ziekteverzuim of een risicovol privéleven zijn belangrijke factoren voor een moeilijke start op de arbeidsmarkt. Werkgevers krijgen immers te maken met steeds hogere (ziekte)kosten. Risico-wering ligt dan voor de hand.

De eerste hindernis vormt het sollicitatiegesprek, waarna als tweede hindernis de aanstellingskeuring volgt en als derde de toelating tot het pensioenfonds of de verzekering. Reeds in 1993 presenteerde de huidige staatssecretaris Kohnstamm (D66), toen nog Kamerlid, een initiatief-wetsvoorstel op de medische keuringen dat de rechtspositie van de sollicitant bij de keuring moest verbeteren. Na zijn toetreding tot het kabinet nam zijn partijgenoot Van Boxtel het vaandel over.

Tot op heden was er echter geen sprake van wetgeving omdat de betrokken organisaties - zoals de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst (KNMG), de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB) etcetera - eerst een kans moesten krijgen om zelf een en ander te regelen (geconditioneerde zelfregulering). Bij onvoldoende resultaat zou er alsnog een wet moeten komen. De beroepsorganisaties hebben in elk geval in januari 1995 een protocol voor de aanstellingskeuring opgesteld. Hierin worden veel dingen geregeld, behalve de rechtspositie van de sollicitant. En juist om deze rechtspositie is het nu te doen.Het lijkt er namelijk op dat sollicitanten zich in toenemende mate zorgen mogen maken indien wetgeving achterwege blijft. Daarvoor kunnen verscheidene redenen worden gegeven:

Uit onderzoek is gebleken dat de aanstellingskeuring als instrument op dit moment van onvoldoende kwaliteit is. Om risico's door ziekte of gebrek uit te sluiten, zullen werkgevers een beroep doen op arbodiensten om - eventueel met behulp van geavanceerde onderzoeks mogelijkheden of expertises - aanvullend onderzoek uit te voeren. Hiermee denken werkgevers namelijk dat ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid in de toekomst enigszins betrouwbaar kunnen worden getaxeerd. Het gevaar dreigt dat hierdoor sollicitanten ten onrechte worden afgewezen.

Economische principes gaan uit van de termen schaarste en nut. Bij ruim voldoende aanbod op de arbeidsmarkt zal alleen de meest gezonde werknemer worden toegelaten. De doelstelling van het kabinet is echter om ook de minder valide, de gehandicapte, de herintredende WAO'er en anderen een kans te geven op de arbeidsmarkt. Als de aanstellingskeuring hierbij als selectie-instrument wordt gebruikt, zeker als het gaat om toetreding tot sociale verzekeringen, kunnen ongewenste neveneffecten ontstaan. Deze effecten kunnen selectiemechanismen in de hand werken die wel eens zijn omschreven als 'Darwin-achtige taferelen' of het 'recht van de sterkste', hoe misplaatst dit vanuit genetisch oogpunt ook mag klinken.

De explosieve toename van het aantal verrichte aanstellingskeuringen in de laatste vier jaar kan het vermoeden van eenzijdige selectie bevestigen. Meer dan 65 procent van de sollicitanten wordt nu gekeurd, terwijl dat vier jaar geleden tientallen procenten lager lag. Jaarlijks worden zo vele honderdduizenden aanstellingskeuringen verricht, waarvoor werkgevers ongeveer veertig miljoen gulden betalen, terwijl de wetenschappelijke basis ervoor uiterst smal is. In dit licht is het overigens niet vreemd dat ook het afkeuringspercentage de laatste jaren van 1,8 naar 5 procent is gestegen. Zijn sollicitanten ineens minder geschikt geworden of wordt hier onzekerheid geoperationaliseerd?

In het ziekenhuis worden aan onderzoeksinstrumenten eisen gesteld. Indien niet wordt voldaan aan bepaalde criteria, zoals recent bij de Abbott-test op het HIV-virus, of als de wetenschappelijke waarde niet vast staat, wordt dit instrument niet toegelaten of van de markt gehaald.

De vraag is of de aanstellingskeuring of medische keuring niet óók aan bepaalde criteria zouden moeten voldoen. Zij zijn namelijk zeker niet boven elke twijfel verheven. Het instrumentarium is niet valide, wetenschappelijke fundering ontbreekt grotendeels, terwijl evaluatie en kwaliteitsbewaking niet plaatsvindt.

De politiek moet daarom met wetten komen om de rechtsbescherming van de gekeurde sollicitant te verzekeren. Er zal altijd worden geselecteerd en gekeurd. Is het niet door arbodiensten dan toch zeker door werkgevers.

Rechtsbeginselen als het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van rechtvaardigheid krijgen dan een heel andere dimensie. Met behulp van een wetenschappelijke benadering kan vervolgens het instrumentarium worden verfijnd. Dan heeft de aanstellingskeuring bestaansrecht en is een goede rechtspositie van de sollicitant een feit.