Uitgebreid Rijksmuseum Twenthe in Enschede heropent na langdurige en gewaagde verbouwing; Glas, licht en kleur verdrijven brave hokjessfeer

ENSCHEDE, 30 APRIL. Na twee jaar sluiting opent morgen in Enschede het 'nieuwe' Rijksmuseum Twenthe. Het gebouw straalt uiterlijk weliswaar nog dezelfde oer-calvinistische, provinciale braafheid uit die twee lokale bouwmeesters het in 1929 wisten mee te geven, maar zowel de uitbreiding als ook het 'oude' interieur hebben zich daar dankzij architect Ben van Berkel nu volledig van gedistantieerd.

Rijksmuseum Twenthe, Lasondersingel 129-131, Enschede. Geopend: di-zo 11-17 uur. Tentoonstelling 'Ben Akkerman' duurt t/m 23/6. Catalogus ƒ29,50.

Met een overzicht van de 'minimalistische' schilder Ben Akkerman (1920) wordt de nieuwe, grote museumzaal in gebruik genomen.

Een ruimte die is gecreëerd door de binnenplaats te overkappen. Het is in dit museum, zo vertelt directrice D.A.S. Cannegieter, dat de in Enschede woonachtige Akkerman zich al kijkend schilderkunstig heeft geschoold. Diens vroege tekeningen en schilderijen hangen ook in de kabinetten die de nieuwe zaal omringen en zo krijgt men in 130 werken het spannende verloop te zien van de eerste, ruige landschappelijke potloodschetsen via de gestileerde figuratie naar de abstracte, monochrome schilderijen, die uitsluitend genoegen moeten nemen met een schroomvallige lijnstructuur en een behoedzaam opgebouwde verfhuid.

Pal tegenover de hoofdingang ligt nu, grenzend aan een bescheiden waterpartij en een terras, een nieuw museumcafé dat zich leent voor lezingen en andere evenementen. Het heeft zich in het hart van het driekantige hoofdgebouw genesteld en verschaft van daaruit ook toegang tot de daarachter gesitueerde nieuwbouw.

Daarnaast nam Van Berkel de twee assen van het museum onder handen. Aan de afdeling oude kunst voegde hij de kloostergang als expositie-ruimte toe door deze arcade, die parallel loopt aan het terras, volledig te beglazen. De zalen voor de moderne kunst, scheuten aan de andere as, die vroeger een akelig huiskamerachtig karakter hadden, liggen nu dankzij de verplaatsing èn de plafondverhoging van de entrees, open en bloot in elkaars verlengde. Niet alleen dit gestroomlijnde zalenparcours zwemt in afwisselend zij- en bovenlicht, ook de doorgebroken museumingang mag zich niet langer beklagen.

Blikvanger bij binnenkomst is meteen het glazen, lichtgroen getinte café, in alles de tegenhanger van dat brave museumuiterlijk. De gevel helt een flink stuk naar voren en Van Berkel heeft de glazen constructie aan de vrijstaande zijde eveneens als een tuimelend kaartenhuis laten scheefhangen. Ingrepen die samen met de gebogen daklijn een perspectivisch vertekenend èn vergrotend effect sorteren, en die in de verte doen denken aan de pseudo-krakkemikkigheid van het Oostenrijkse ontwerpbureau Coop Himmelb(l)au.

Het horizontale raster dat als aluminium-luxaflex de glazen café-pui afschermt, valt in zijn lineaire tekenkunstigheid bevallig samen met het terras, ontworpen door landschapsarchitect Lodewijk Baljon.

De plateaus daar, beddingen van wit of grijs grind, zijn eveneens met aluminium afgebiesd. Diezelfde biezen vindt men trouwens ook weer als deurpost terug in alle, inmiddels geklimatiseerde museumzalen. De nieuwkomer kan zich bij zo'n doorgang nu oriënteren op een grafisch museumplattegrondje, waarop hij zichzelf steeds als zilveren stip tegenkomt.

In andere ruimten zijn consequent in meer of mindere mate dezelfde materialen - beton, zachtgroen glas, een lichtgetinte houtsoort en aluminium - doorgevoerd. De nieuwe museumzaal fungeerde daarbij als vertrekpunt. Deze relatief lage ruimte kreeg een bijna provisorisch karakter, mede door het zichtbaar laten van oude, bakstenen buitenmuurfragmenten.

Langs het plafond wisselen banen van hout en glas elkaar af, het dag- en kunstlicht stroomt via een patio en vier ingangen naar binnen en de tussenwanden, geschraagd door horizontale, taps toelopende, betonnen steunen, dragen door hun zweverig bestaan in grote mate bij aan een gevoel van ruimtelijkheid en tijdelijkheid. De schotten lijken gemakkelijk verplaatsbaar, ware het niet dat het aanpalende, zachtgroene glas, waarachter leidingen zijn weggewerkt, niet van wijken zal willen weten.

Een beetje bezwaarlijk acht mevrouw Cannegieter de flauwe, houten hellingen op de betonnen vloer.

Bezoekers kunnen zich gemakkelijk verstappen. Maar vergeleken met de fatale valpartijen die aanvankelijk de Kunsthal in Rotterdam in het vooruitzicht stelde, zou men hier niet meer dan een kneuzing kunnen oplopen.

In oktober dit jaar is de verbouwing en herinrichting, kosten dertien miljoen gulden, voltooid. Het Oude kunst-gedeelte, waar tweemaal zoveel stukken (ca. 300) als voorheen worden tentoongesteld, blijft tot die tijd gesloten. De chronologie kent hier een gewaagd kleurenspectrum: Diepblauwe zalen voor de duistere Middeleeuwen, een witte, 'gotische' kerkzaal voor de hoopvollere 16de eeuw, een zwarte zaal met een vloer van zwart-wit geblokt marmer (à la Pieter de Hooch) voor de 17de eeuw, maïsgele wanden voor de straks prominent vertegenwoordigde 18de eeuw en een paars decor, tenslotte, voor de 19de eeuw. De zogenaamde gobelin-zaal, voor lezingen en concerten, is al knalrood gesausd.

In een spierwitte entourage laat zich nu al de 20ste-eeuwse beeldende kunst bekijken. Vanaf de grafische bladen van Jan Toorop en een verleidelijk geaquarelleerd naakt-met-zwarte-kousen van Jan Sluyters wandelt men langs enkele kleine doekjes van Bart van der Leck naar het vooroorlogs expressionisme van Gestel en Kruyder en de zorgeloze doeken van Haagse experimentelen als Ouborg, Hussem en Sinemus. Het museum bezit een bizar 'spookje' van Piet Ouborg, geschilderd als een witte, wandelende aardappel, en een vroeg werk van Eugène Brands, die op het onbewerkte, beige linnen wat pijlen, wat wolkjes en wat krabbels achterliet.

Niets meer, niets minder - en toch een innemend schilderij.

Onwillekeurig neemt men zichzelf kwalijk in dit museum niet eerder grondig naar de collectie te hebben gekeken. Kwam dat door die benepen hokjessfeer? Hield men Enschede destijds zo snel weer voor gezien? Van die sfeer is niets overgebleven. Zelfs leeg en kunstloos zou het innerlijk van het Rijksmuseum Twenthe nu zoveel licht, ruimte en architectonische bezienswaardigheden bieden dat men er langer wil blijven dan ooit tevoren.

    • Marianne Vermeijden