'Minister Dijkstal is het met mij eens: Straver niet nalatig'; Haarlemse burgemeester J. Pop over zijn korpschef

Politiechef Straver is definitief gered, zegt burgemeester Pop van Haarlem triomfantelijk. De Tweede Kamer heeft het nakijken. “Mijn afspraken met Dijkstal zijn duidelijk en ik hou hem daar aan.” De verhoudingen in het ressort Amsterdam zijn nog altijd broos en “worden regelmatig geschaad door uitspraken van een enkeling”.

Het scenario dat opdoemt, een week voor het wellicht laatste IRT-debat in de Tweede Kamer, vertoont een onheilspellende gelijkenis met de situatie die twee jaar geleden leidde tot de val van de ministers Hirsch Ballin (Justitie) en Van Thijn (Binnenlandse Zaken).

Destijds wilde Hirsch Ballin maatregelen treffen tegen de Amsterdamse justitie- en politietop, die door de commissie-Wierenga als hoofdschuldigde van het IRT-drama was aangewezen. Van Thijn voelde daar niets voor en toen de bewindslieden het er niet eens over werden, zonken ze samen weg in het IRT-moeras.

Nu is het opnieuw de minister van Justitie - Sorgdrager - die voortvarend onderzoeken heeft aangekondigd naar de justitie- functionarissen die door de commissie-Van Traa en de rijksrecherche hoofdverantwoordelijk zijn gesteld voor de zogenoemde 'crisis in de opsporing'. De mogelijkheid van maatregelen tegen (Haarlemse) leden van het openbaar ministerie ligt daarmee open.

Maar de minister van Binnenlandse Zaken - Dijkstal - heeft die weg al afgesloten. Hij schaart zich ronduit achter burgemeester J. Pop van Haarlem, die van een ingrijpen tegen korpschef M.

Straver niets wil weten. Intussen neemt de roep om personele maatregelen vanuit de Tweede Kamer, net als twee jaar geleden, alleen maar toe.

Het is een “doemscenario” als de geschiedenis van twee jaar geleden zich zou herhalen, zegt burgemeester Pop, maar overigens kan hij er niet warm of koud van worden. “Ik heb de zaak vorige week woensdag in een gesprek met Dijkstal afgekaart en wij zijn het er volstrekt over eens dat er geen enkele basis is voor maatregelen tegen korpschef Straver of zijn plaatsvervanger. Ik ga er van uit dat Dijkstal de Kamer kan overtuigen en als dat niet lukt, moet de Kamer dat maar oplossen. Mijn afspraken met Dijkstal zijn duidelijk en ik hou hem daar aan.” Ook als de Kamer vervolgens de positie van de minister ter discussie stelt, zegt Pop. “Dat is niet mijn verantwoordelijkheid.”

Het akkoord dat Pop vorige week met Dijkstal bereikte, heeft als kern dat Straver niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor het uit de hand gelopen opsporingswerk van het 'koningskoppel' Langendoen & Van Vondel. Volgens Pop en Dijkstal kan het Straver niet verweten worden dat hij onwetend was van het werk dat zijn CID'ers tot 1994 deden voor het IRT-Noord-Holland/Utrecht, waarbij tienduizenden kilo's soft drugs in het milieu verdwenen. “Geen enkele korpschef hield zich toen intensief met het CID-werk bezig.”

Dat het koppel daarna gewoon doorging met grensverleggend recherchewerk, en opnieuw tientallen drugscontainers op de markt bracht, kan Straver volgens zijn burgemeester evenmin worden aangerekend: de politiechef was er niet van op de hoogte. Bovendien wees onderzoek van de rijksrecherche begin 1994 uit dat er “geen reden was te twijfelen aan de integriteit van onze CID”, aldus Pop. De mysterieuze miljoeneninvesteringen die het koppel daarna in een 'sapfabriek' in Ecuador deed, blameren Straver ook niet, vindt Pop, “omdat mijn korpschef daarover is bedrogen en zelfs de rijksrecherche er de vinger niet achter heeft gekregen”.

Vraag blijft desondanks of Straver niet simpelweg verantwoordelijk is voor de ontsporing van zijn korps. “Volgens mij”, zegt Pop, “kan je ambtenaren zaken niet toerekenen waarvan ze niet op de hoogte konden zijn.

Straver is geen enkele nalatigheid te verwijten.” Pop noemt als ontlastende factoren voor Straver dat hij “al in 1994” een reorganisatie in zijn CID doorvoerde en wijst erop dat de korpschef zelf, na nieuwe onheilstijdingen, begin 1995 vroeg om het brede en diepgaande onderzoek door de rijksrecherche dat er nu ligt. “Straver heeft daarbij als toonaangevende korpschef zo'n goede staat van dienst dat niets zijn functioneren belet”, aldus Pop.

Essentieel lijkt echter dat Straver eind 1993, toen 'Amsterdam' de IRT-methode van het Haarlemse koppel verbood, onmiddellijk de kant van Langendoen koos en het billijkte dat zijn CID-chef samenwerking met de politie in de hoofdstad opzegde. Was dat niet het kathalysatiepunt in de IRT-affaire? “Dat kan ik even niet plaatsen”, zegt Pop. “Ik heb die geschiedenis niet paraat.

Maar het blijft in mijn ogen zo dat Amsterdam destijds de methode oneigenlijk heeft aangewend om het team op te blazen.''

De gang van zaken rond het rijksrecherche-onderzoek heeft bij Pop een vieze smaak nagelaten. Medio vorig jaar ontdekte hij dat er een ambtelijke 'regiegroep' was die het onderzoek begeleidde, waarin onder meer 'super-PG'

Docters van Leeuwen en topambtenaar Borghouts (toen Binnenlandse Zaken, nu Justitie) zitting hadden. Pop vroeg en kreeg zitting in de groep. Hij vertelt dat er in minder dan een jaar tijd zo'n zestien vergaderingen waren.

“Steeds heb ik gevraagd om tussenrapportages, zodat ik eventueel maatregelen tegen CID'ers kon nemen. Maar de ambtenaren van Justitie en Docters van Leeuwen zeiden mij dat die rapportages er niet waren. En wat lees ik nu in het rapport van de rijksrecherche? Ze waren er wèl! Er zijn er maar liefst zes geweest. Ik vind dat geen fraaie gang van zaken en stel vast dat de ambtelijke top van Justitie en Docters van Leeuwen hiervoor verantwoordelijk zijn.”

Er waren, volgens Pop, meer mensen die de tussenrapportages werd onthouden. “Toen Straver en ik juni vorig jaar aan Dijkstal en Borghouts (toen nog van Binnenlandse Zaken, red.) vroegen of er reden was te twijfelen aan Langendoen, was het antwoord van Borghouts dat Langendoen 'koosjer' was. Maar achteraf blijkt dat de zeer belastende verklaringen van 'sapman' over Langendoen al april vorig jaar beschikbaar waren. Uiterst merkwaardig. Hierdoor kan later zich de complicatie voordoen dat het werk van het 'KTR' (het Haarlemse IRT waar Langendoen werkte voor hij november 1995 werd geschorst, red.) door de advocatuur onder vuur wordt genomen. Daarvoor hoeft men de naam 'Langendoen' in de rechtzaal maar uit te spreken. De functionarissen van Justitie die ons de tussenrapportages onthielden, hebben een zeer grote verantwoordelijkheid op zich genomen.”

Bij de Haarlemse politie is overigens niet iedereen zeker van zijn positie, blijkt uit het betoog van Pop. Recherchechef Wietzema Menkhorst, die volgens de rijksrecherche consequent heeft gefaald met zijn toezicht op het werk van de Haarlemse CID, wacht een onderzoek naar zijn functioneren. “Met hem zullen grondige gesprekken worden gevoerd”, aldus Pop.

Intussen is er de vraag of een aanblijven van Straver de samenwerking in het ressort Amsterdam - waar volgens Docters een 'basaal wantrouwen' heerst - niet belet. Volgens Pop ligt het genuanceerder. De samenwerking tussen individuele Haarlemse en Amsterdamse politie- en justitiemensen bij zware misdaadzaken “verloopt goed”, maar wordt “regelmatig geschaad door uitspraken van een enkeling”.

Hij doelt op de Amsterdamse hoofdofficier van justitie Vrakking, die onlangs in interviews zei het onvoorstelbaar te vinden als in Haarlem geen functionarissen sneuvelen. “Mijnheer Vrakking fietst daarmee door de broze verhoudingen heen. Dat kan natuurlijk van geen kanten. Ik vind het zeer bedroevend dat hij onbevoegd voor zijn beurt spreekt.

Zulke incidenten vormen een ernstig beletsel voor officieren van justitie en politiemensen die dagelijks prima met elkaar werken. Ik vind het onbegrijpelijk en onfatsoenlijk van Vrakking en zal er deze week in een gesprek met procureur-generaal Ficq in Amsterdam mijn beklag over doen.''

Maar Vrakking is niet de enige die zinspeelt op personele maatregelen. Ook voorzitter Van Traa van de enquêtecommissie blijft zijn standpunt uitdragen dat het IRT-drama niet voorbij is als procureur-generaal Van Randwijck de enige functionaris is die door de affaire sneuvelt. “Hij is daarin uiterst ongenuanceerd”, zegt Pop.

“Zijn opdracht was voorstellen te doen om de opsporing te normeren. Het past hem niet zich met het personeelsbeleid te bemoeien. Zijn opmerkingen op dit punt geven alleen maar voedsel aan het simplisme dat je een probleem oplost door mensen te ontslaan. Daarmee doet hij zelf afbreuk aan zijn overigens goede rapport.”