Mini-camping of kaasmakerij als noodzakelijke aanvulling op inkomen boerderij; Agrarische vrouwen met een 'hobby'

Nederland is een van de weinige Europese landen waar het inkomen van boeren daalt. Dat is een reden waarom veel agrarische vrouwen een eigen bedrijfje opzetten, variërend van een mini-camping tot een kaasmakerij. Naar de buitenwereld toe blijven ze het hardnekkig 'hobby' noemen: aan de buitenwereld laat je nu eenmaal niet merken dat het geld hard nodig is om het inkomen uit het hoofdbedrijf aan te vullen. “Het melkquotum was niet genoeg om twee gezinnen te kunnen onderhouden. Het was stoppen of een tweede bedrijf opzetten.”

Met haar korte geblondeerde haar, design oorbellen, fel gekleurde kleding en gymschoenen ziet Jannie Oudenampsen er niet direct uit als de doorsnee boerin. Ze is dan ook in de eerste plaats eigenares van een dansstudio, pas daarna agrarische vrouw. Full-time boerin is ze nooit geweest, maar indien nodig springt ze wel bij op de varkensfokkerij van haar man.

“Schoonmaken, medicijnen halen bij de veearts, dat soort dingen.”

Dertien jaar geleden begon ze met dansles geven in het plaatselijke café. Ideaal was het niet. Was er een bruiloft of een receptie, dan moest ze omzien naar een andere locatie. Zes jaar geleden besloot ze het anders aan te pakken: met hulp van vrienden en familie verbouwde ze de deel in haar idyllische, maar afgelegen boerderij in het Gelderse Laren tot dansstudio. Bij de opzet van haar eigen bedrijf had ze veel steun aan de Kamer van Koophandel: deze hielp bij de aanvraag van vergunningen en kreeg de gemeente zo ver dat deze het langs de weg geplaatste reclamebord voor de dansstudio niet langer beschouwde als landschapsontsiering. Sindsdien geeft ze zo'n twintig uur per week les: kinderballet, bewegingsleer, conditietraining, jazzballet en aerobics. Tussendoor schrijft ze, al dan niet in opdracht, gedichten, liedjes en verhalen.

De dansstudio is keiharde economische noodzaak. Door de malaise in de sector zijn de inkomsten uit de varkensfokkerij die Oudenampsen, van huis uit medisch analiste, met haar man drijft, zeer wisselend. Dit jaar draaien beide bedrijven met winst, maar in 1993 leed de varkensfokkerij forse verliezen. “We hebben ons herhaaldelijk afgevraagd of we wel door moesten gaan met de varkens. Als we toen de dansschool niet hadden gehad, weet ik niet of de varkenshouderij er nog geweest was. In elk geval had ik dan weer een baan buiten de deur moeten zoeken.”

Inmiddels bedraagt de jaaromzet van de dansstudio zo'n 25.000 gulden. Financieel zou Oudenampsen graag meer aan haar dansschool overhouden: “Toen we twee jaar geleden een musical opvoerden, hielden we daar zoveel aan over dat we meteen in een hogere belastingschaal vielen.” Toch heeft ze haar schoonmaakhulp, die het huis, de dansschool en de boerderij schoon hield, opgezegd. “Geen geld voor.”

Anderzijds zou ze zakelijker moeten worden, vindt ze. “Mensen bellen wel eens of ze een gedicht van mij mogen overnemen. Eigenlijk moet ik daar natuurlijk geld voor vragen, maar dat doe ik dan niet.”

Geld om de dansschool uit te breiden is er voorlopig niet.

Bijna de helft van de agrarische vrouwen die een nevenactiviteit opzetten, doet dit om financiële redenen, zo blijkt uit een onderzoek van de Landbouw Universiteit Wageningen onder honderd boerinnen.

Nederland is een van de weinige landen in de Europese Unie waar het inkomen van boeren vorig jaar daalde, met gemiddeld 2,4 procent in vergelijking met 1994. Alleen in Finland (-4,6 procent) en België (-8,5 procent) liepen de inkomens nog verder terug. De prijsval van verse groenten, aardappelen en vee was voor België en Nederland de grootste boosdoener, aldus het Europees Bureau voor de Statistiek.

Het gemiddelde Nederlandse agrarisch inkomen ligt daarmee lager dan tien jaar geleden, terwijl het inkomen van de Europese boer in die periode gemiddeld met 25 procent toenam.

De ontwikkeling van nevenbedrijven door agrarische vrouwen staat veelal nog in de kinderschoenen, zo blijkt uit het onderzoek van de Landbouwuniversiteit, dat mede werd uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen. Bij de meeste vrouwen groeit een hobby - zoals kaas of advocaat maken - uit tot een serieuze activiteit die een bijdrage levert aan de inkomsten van het agrarische bedrijf. Bedrijfsplan, investeringen of bancaire leningen komen er meestal niet aan te pas. “Veel boerinnen blijven hun nevenbedrijfje hardnekkig hobby noemen”, aldus onderzoekster Astrid Hendriksen, die een tiental interviews met agrarische vrouwen bijeenbracht in de bundel Kaas in de Badkuip. “Het is immers riskant om naast het agrarische bedrijf een tweede onderneming op te zetten.

In de meeste gevallen blijft het accent liggen op het hoofdbedrijf, omdat men bang is dat de bank anders geen leningen meer wil verstrekken aan het oorspronkelijke bedrijf.''

Maar ook sociale redenen dragen er toe bij dat agrarische vrouwen hun eigen activiteiten afschilderen als hobby, aldus Hendriksen. “Ze leven veelal nog in een traditionele wereld, waar het naar de buitenwereld toe, maar ook binnen het gezin, niet gepast is om toe te geven dat het geld uit nevenactiviteiten hard nodig is om het inkomen uit het hoofdbedrijf aan te vullen. In die cultuur dient het oorspronkelijke bedrijf (en daarmee de echtgenoot) hoog gehouden te worden. Ook al ontstaat er een enorme handel uit een kaasmakerij of een camping, het blijft 'voor de extraatjes'.”

De nevenactiviteiten liggen in het algemeen dicht tegen het oorspronkelijke bedrijf aan. Zo bevat Kaas in de Badkuip interviews met onder meer een vrouw die kaas maakt, twee buurvrouwen die advocaat produceren, een boerin met een opfokbedrijf voor kalveren en een parttime-landbouwadviseur. Maar ook mini-campings en roeibotenverhuur zijn populaire bezigheden.

“In de Zuidhollandse tuinbouw zie je nogal eens dat vrouwen een eigen tak opzetten: een bepaalde groente of bijvoorbeeld orchideeën”, aldus Astrid Hendriksen van de LU Wageningen. De diverse activiteiten wordt vaak goed op elkaar afgestemd. Hendriksen: “Kaasmaken komt meestal voor in combinatie met een runderbedrijf, pluimveehouderijen zie je vaak in combinatie met een winkeltje waar eieren en geslachte kippen worden verkocht, terwijl je op akkerbouwbedrijven nogal eens een vorm van recreatie aantreft, een camping, roeibotenverhuur of bed & breakfast. Op die manier worden de pieken in de activiteiten mooi over het jaar verdeeld.”

Marja Bikker koos wel voor een professionele aanpak toen zij tien jaar geleden met haar man de koeienstal op hun boerderij in Hoog-Blokland ombouwden tot geitenkaasmakerij. Inmiddels bezitten ze driehonderd geiten en verwerken ze jaarlijks 300.000 liter melk. Naast de geitenstal heeft Marja Bikker een natuurvoedingswinkel ingericht waar ze acht soorten geitenkaas, karnemelk, yoghurt, boter en kwark verkoopt.

De superheffing, die de melkproduktie aan banden legde, was medio jaren tachtig de aanleiding voor de familie Bikker om ook geiten te gaan houden. “Het melkquotum was niet genoeg om twee gezinnen te kunnen onderhouden”, aldus Marja's echtgenoot, die samen met zijn broer een maatschap heeft.

“Het was stoppen of een tweede bedrijf opzetten. Aangezien we boer zijn in hart en nieren, hebben we voor het laatste gekozen.” Geiten bleken perfect bij het reeds bestaande runderbedrijf te passen. “We hadden land genoeg, geiten eten precies hetzelfde als koeien en kaas maken konden we al.”

Gedurende een aantal jaar leverde Marja Bikker geitenkaas aan Albert Heijn, maar toen het produkt populairder werd, stapte de grootgrutter over op een leverancier die méér kaas kon leveren. Nu levert het bedrijf in Hoog-Blokland melk aan deze producent en maakt het vooral kaas voor verkoop in de eigen winkel. “Dat contact met mensen is het leukst”, aldus Marja Bikker, die vijftig tot zestig klanten per week krijgt, bezoekers rondleidt en kerstpakketten maakt. De belangrijkste klanten zijn patiënten van natuurartsen: geitenmelk is licht verteerbaar en goed voor mensen met astma en maag- en darmklachten. “Eerst geloofden we daar niet zo in, maar het werkt echt”, aldus Marja en haar echtgenote.

Hoewel voor geiten geen melkquotum geldt, is de sector net als de varkenshouderij sterk cyclisch.

“De prijs van geitenmelk daalt, want er komen steeds meer boeren die geiten houden”, aldus Bikker.

Naar schatting zijn er tweehonderdvijftig bedrijven met geiten, die jaarlijks in totaal 24 miljoen liter melk produceren. Zowel het runder- als het geitenbedrijf van de familie Bikker is winstgevend, “al word je van geiten niet snel rijk”.

Qua inkomen vormen de nevenactiviteiten van agrarische vrouwen - 13 procent van alle boerinnen verdient geld uit nevenactiviteiten op de boerderij, 16 procent heeft een betaalde baan buitenshuis - nog geen vetpot. In de meeste gevallen vormen ze minder dan 10 procent van het totale inkomen op de boerderij, zo blijkt uit een recente enquête van het Landbouw Economisch Instituut (LEI) onder bijna vijfhonderd vrouwen. Slechts drie procent van hen noemt de nevenactiviteit de belangrijkste bron van inkomsten voor het boerenbedrijf.

“Onder boerinnen is veel belangstelling voor nevenactiviteiten, maar dat is iets anders dan er meteen goed aan verdienen”, aldus onderzoekster Greet Overbeek van het LEI. Zij verwacht de komende jaren vooral een toename van het aantal agrarische vrouwen dat een baan buitenshuis zoekt. “Dat levert qua inkomsten toch meer zekerheid op.” Anderzijds gaf 25 procent van de bijverdiendende vrouwen te kennen de nevenactiviteiten op de boerderij te willen uitbreiden. Over de toekomst blijken agrarische vrouwen tamelijk somber: 43 procent verwacht een verslechtering van de inkomsten uit het hoofdbedrijf.

Jannie Oudenampsen heeft door haar dansstudio aan huis wel een stukje privacy moeten inleveren.

Naast de boerderij is een parkeerplaats aangelegd en de kleedruimte ligt pal naast de woonkamer. “Als de studio geen geld opbracht, kon ik dat allemaal niet maken tegenover mijn gezin”, zegt ze. “Omdat ze weten dat het financiële noodzaak is, accepteren ze al die vreemde mensen in huis makkelijker.” Hoe moeilijk het soms ook is om de eindjes aan elkaar te knopen, een drama zal Jannie Oudenampsen er nooit van maken. “Laatst belde SBS 6, dat ze een programma wilden maken over onze twee bedrijven. Voorwaarde was wel dat ik voor de camera in tranen zou uitbarsten over de ellende in de varkenshouderij. Toen ik 'nee' zei, waren ze gepikeerd. Of ik dan niet blij was met gratis reclame?”