Koster

Er zijn een paar mooie programma's op de tv en een daarvan is de serie 'De Stoel', van Felderhof. Portretten van zonderlingen. Aangezien ik vroeger graag 'een zonderling' had willen worden, daar misschien wel het talent maar zeker niet het karakter voor had, kijk ik naar deze portretten vaak met een half oog als naar een gemiste kans.

Deze keer was 't een koster van een kleine kerk op het platteland. De dominee was al jaren geleden vertrokken of overleden; de achtergebleven lidmaten togen elders ter kerke. De koster was alleen overgebleven met zijn kerk, een gebouwtje uit de jaren dertig zo te zien met boven de kerkdeuren in witte letters: JEZUS LEEFT. Een blik in de gewijde ruimte toonde ons de opslag van flink wat meubelen (waaronder een harmonium), lampen en boeken die allemaal hadden toebehoord aan de dominee, die in feite de vader van de koster was geweest. Deze woonde dus niet alleen in geestelijke, maar ook in letterlijke zin in het huis zijns vaders.

Het was winter, tijdens het bezoek. De koster droeg een duffelse jas, een gebreide muts. Hij zong en speelde met niet meer dan 2 x 2 vingers op het harmonium een lied van Johannes de Heer, de blik gericht op het papier, oprecht en aandoenlijk. Hij stootte daarbij dampwolken uit als een paard.

“Zie, zo gaat het dan”, zei hij, terwijl hij opstond.

“Maar er zijn nooit mensen die naar u komen luisteren?”

“Nooit”, was het besliste antwoord.

“En houdt u elke zondag dienst?”

“Niet ik, Hij.” De man wees naar boven.

“Maar vindt u dat niet erg jammer, zo'n lege kerk?”

“O nee, vin'k prachtig”, lachte de man.

Even later hing hij aan de touwen om te laten zien hoe hij 's zondagsmorgens de klokken luidde. “En zodra ik de klokken geluid heb”, lichtte hij toe, “gaan de deuren dicht, dan komt er niemand meer in.”

“Vindt u dat niet een beetje streng?”

“O nee, vin'k prachtig.”

Het was alsof ik hem eerder gezien had. Ik kon hem niet thuisbrengen. Pas toen hij ter illustratie een Friese zin sprak, registreerde ik met terugwerkende kracht het woord 'prachtig' dat denk ik in 't Fries vaker gebruikt wordt dan in 't Nederlands. Je kunt soms aan iemand horen dat hij Fries is aan de wijze waarop hij dat eenzelvige 'vin'k prachtig' zegt.

Maar dat verklaarde nog niet mijn gevoel van verwantschap. Er zijn wel meer eenzelvige Friese zonderlingen.Felderhof liep met hem over het kerkhof.

Doodgraver was hij ook en hij kon nu al het graf wijzen dat hij niet delven zou: dat van hem zelf. Er ontspon zich een korte discussie over de waarde van het leven. “Niets in het leven heeft waarde”, zei de koster.

“Helemaal niets?”

“Helemaal niets.”

“En als u orgel speelt, heeft dat dan geen waarde?”

“Nee. Orgelspelen doe ik voor de Heer. Niet voor dit leven maar voor het leven hierna. Zie je? Haha! Nou heb ik je, maat. Nou ben'k je toch even te slim af.”

Zo gaandeweg, ook door de steenachtige, onbehouwen discussie, begon ik mijn sympathie voor deze man wat te verliezen. En toch was hij mij zeer nabij.

“Maar u heeft toch wel gevoel”, vroeg Felderhof.

“Nee.” De koster schudde heftig zijn hoofd. “Gevoel komt er niet aan te pas.”

Wie was die man toch? Het was niet mijn grootvader, die net zo eigenwijs was.

Noch een ander familielid...

Ikzelf was het die daar zo eenzaam in de kou stond te grijnzen. Als ik in Friesland zou zijn geboren en gebleven, nooit met mensen had gepraat, maar me ook zeker niets van ze had aangetrokken, dan was ik precies zo'n ijzeren zelfdespoot geworden. Want aanleg heb ik daartoe maar al te zeer. Dingen doen die absoluut zinloos zijn om te doen. Spelen voor een afwezige gemeente, zondag na zondag. Klokken luiden voor de Heer en kerkdeuren sluiten voor de mensen die niet komen - men kan er een zekere schoonheid in zien. Zo heb ik zelf een oog voor de absurde schoonheid van streekbussen die leeg door de provincie rijden. Precies op tijd bij elke halte aankomen. Niemand die uitstapt, niemand die instapt. Precies op tijd rijden ze weer weg.

Vin'k prachtig.