Het Parool al twintig jaar op zoek naar lezers

Het plan om Het Parool om te vormen tot een tabloid voor de hoger opgeleide Randstad-bewoner is uitgesteld. Nog steeds bestaat er, ook in de top van Perscombinatie, onenigheid over de vraag hoe de krant kan worden gered.

Voor menig oudgediende op de redactie van Het Parool hadden de discussies over de toekomst van de krant de afgelopen maanden een hoog herkenbaarheidsgehalte. Het was immers allemaal al eens eerder ter sprake geweest - de vraag of de krant zich niet beter terug zou kunnen trekken op het bastion Amsterdam (of het bastion Randstad, of het bastion groot-Amsterdam) en afzien van de positie van landelijk dagblad.

Sterker nog: al in de jaren zeventig had men de laatste lezers in de buitengewesten, de ex-Amsterdammers die in het noorden of oosten of zuiden des lands nog graag Het Parool bleven lezen, moedwillig verwaarloosd. Hun editie ging toen reeds zo vroeg ter perse, dat het nieuws niet wezenlijk kon verschillen van hetgeen de ochtendbladen al meldden. Uit lezersonderzoek was gebleken dat die volhouders de krant toch niet voor het nieuws lazen; het was weinig méér dan een laatste band met hun vroegere woonplaats, en de belangrijkste ingrediënten waren de dagelijkse Kronkel van Simon Carmiggelt en het dagelijkse Amsterdams Dagboek van Henri Knap.

Carmiggelt en Knap vormden toen de laatste boegbeelden van het ex-illegale dagblad dat in mei 1945 met gerechtvaardigde trots bovengronds was gekomen en zich gaandeweg ontwikkelde tot een vrijgevochten, niet partijgebonden podium voor de beste journalisten en columnisten van Nederland: Annie M.G. Schmidt, Jeanne Roos, Han G. Hoekstra, Willem Witkampf, Evert Werkman, Klaas Peereboom.

Hun faam oversteeg die van Het Parool; ze vormden een generatie van geestverwanten, verenigd door een links-liberaal gevoel voor rechtvaardigheid en een lichtvoetig gevoel voor ironie dat baanbrekend was in die tijd van gedisciplineerde wederopbouw.

Het Parool was een inventieve krant, met een dagelijks cursiefje (Carmiggelt), de eerste zaterdagbijlage van het land, een vrouwenrubriek zonder betutteling, een wekelijkse pagina winkeltips (Jeanne Roos), de kinderversjes en -verhaaltjes van Annie Schmidt, de meest getalenteerde tekenaars (Wim Bijmoer en Fiep Westendorp) en moderne cartoonisten als de debuterende Harry (Yrrah)

Lammertink. De vraag op wie de krant zich moest richten, werd niet gesteld - Het Parool was een krant voor iedereen die niet wilde passen in een zuil, bij het socialistische Vrije Volk of de katholieke Volkskrant, of in een inkomenscategorie, zoals de lezers van het Algemeen Handelsblad en de NRC. Het Parool was er voor de intelligentsia en de arbeider, de middenstander en de student. Tot in de jaren zestig was Het Parool bovendien een succesvolle krant. De oplage groeide tot boven de 200.000. Nog jarenlang hebben de makers van Het Parool zich erop laten voorstaan, dat het hun krant was die in 1968 - bij de oprichting van de Perscombinatie - de noodlijdende Volkskrant uit het slop trok. Met de winsten van Het Parool werden die eerste jaren na de fusie de verliezen van de Volkskrant goedgemaakt.

Wat er vervolgens is misgegaan, is tot op de dag van vandaag onderwerp van felle discussies. Het moet een samenstel van factoren zijn geweest: de leegloop van Amsterdam, de vergrijzing van de Parool-redactie die geen aansluiting meer vond bij de protestgeneratie, de hardnekkige verdediging van het Amerikaanse optreden in Vietnam, de succesvolle manier waarop de Volkskrant zich tegelijkertijd tot tolk van het linkse volksdeel - en van de snel opkomende zachte sector - maakte en de onzekere koers die de krant vervolgens ging varen.

Onder hoofdredacteur mr H.W. Sandberg golden de pijlsnel groeiende Telegraaf (en het Amsterdamse kopblad Nieuws van de Dag) èn de Volkskrant als de belangrijkste concurrenten op de thuismarkt.

Het gevolg was dat de krant enerzijds populariseerde, met een hengelrubriek als duidelijkste exponent, en anderzijds met een opiniepagina trachtte de andere kant van de markt te bedienen. Zo viel Het Parool tussen de wal en het schip; geen van beide publieksgroepen vond genoeg van zijn gading. Jaarlijks verloor de krant enkele duizenden abonnees.

In de jaren zeventig begonnen ook de jaarlijkse besprekingen over de vraag hoe de neergang kon worden gestopt. Dagelijkse wisselpagina's voor streken buiten Amsterdam, waar veel ex-Amsterdammers woonden, boden geen soelaas. Zij vonden immers in hun regionale kranten veel meer plaatselijk nieuws - en veel meer plaatselijke advertenties - dan Het Parool kon bieden. Regelmatig dook in die dagen de suggestie op de krant om te vormen tot een ochtendblad. Het avondblad, zo luidde de conclusie, had geen toekomst meer: de lezer gaf in de avonduren nu eenmaal de voorkeur aan de televisie, en voor de losse verkoop is een ochtendkrant, die de hele dag verkrijgbaar is, veel lucratiever. Maar van zulke plannen kon niets komen; de Perscombinatie, die nu ook het dagblad Trouw omvatte, had 's nachts geen ruimte op de drukpersen meer voor een derde ochtendblad.

Toen daarna Wouter Gortzak als hoofdredacteur aantrad, in 1982, was het getij voor Het Parool zeer ongunstig. Door de uittocht van redacteuren die elders gingen werken en (veeg teken) ook zelf hun oude krant opzegden, raakte de personeelsbezetting uit balans: er werkten alleen nog twintigers en vijftigers en zestigers. De wegloop van abonnees bleef doorgaan. En tot overmaat van ramp legde Max de Jong, de nieuwe hoofddirecteur van Perscombinatie, het bedrijf een streng bezuinigingsbeleid op. Met te weinig mensen, te weinig redactionele pagina's en een blijvend zwalkende koers kon Gortzak de neergang niet stoppen.

Pas het aantreden van hoofdredacteur Sytze van der Zee, acht jaar geleden, bracht weer enig élan terug in de kolommen van Het Parool.

Van der Zee kreeg bij zijn komst een extra miljoenenbudget voor uitbreidingen en verbeteringen. Hij trok nieuwe columnisten en nieuwe medewerkers aan, en introduceerde nieuwe rubrieken. De koers was up market; de krant moest concurreren met de Volkskrant en NRC Handelsblad en vooral weer spraakmakend worden. Dat laatste lukte. Nadat jarenlang onder opinieleiders niet meer over Het Parool was gesproken, ging de krant de laatste jaren weer een behoorlijke rol spelen in de meningsvorming.

Vriend en vijand beamen sindsdien dat Van der Zee een 'leuke krant' maakt. Maar dat is niet genoeg gebleken. De lezers van vroeger, die intussen aan een andere krant gewend zijn, komen niet massaal terug. En nieuwe lezers lijken meteen aan die andere kranten de voorkeur te geven. Het Parool is volgens mediadeskundigen een bij-krant geworden, een krant die hooguit náást de eigen krant wordt gelezen. Ook voor adverteerders is zo'n krant geen prioriteit.

Vorig jaar maakte Het Parool een verlies van 10 miljoen gulden.

“Als we niets doen, gaat Het Parool dood”, hield directeur R. Blom het bedrijf vorig najaar voor. Het officiële oplagecijfer, dat nog net boven de 100.000 ligt, wordt door niemand meer geloofd. Op de redactie is weinig enthousiasme te vinden voor de twee alternatieven, want een regionale krant (zoals bestuursvoorzitter C. Smaling wil) wordt in feite al gemaakt en het tabloid-formaat (volgens het voorstel van Blom en Van der Zee) is volgens velen slechts een kosmetische operatie, bedoeld om de gedwongen ontslagen in het 120 redacteuren tellende personeelsbestand tot het uiterste te beperken. De angst is groot dat een tabloid-krant in Nederland, waar dat formaat onbekend is, niet meer serieus wordt genomen.

Zo bezien is het begrijpelijk dat de kogel nog steeds niet definitief door de kerk is. In beide gevallen blijft de toekomst van Het Parool buitengewoon onzeker.

    • Henk van Gelder